Opinie

Het vroeger van later

Maandagochtend was het weer zover. Een stille ochtend om een uur of elf in Oud-Zuid. Bedaarder kun je je de stad niet voorstellen. Prachtig weer, windstil en iedereen met vakantie. Ik slenterde op mijn gemak de kade af, en toen klonk daar uit de richting van het Hilton Hotel opeens een nasaal, een beetje schor lawaai. Het zwol aan, werd zwakker, loeide door. Opeens wist ik het weer. Luchtalarm! Onze zorgzame overheid controleert op de eerste maandag van iedere maand of de sirenes het nog doen. Stel je voor dat er een vijandelijke luchtvloot onderweg is en opeens blijkt dat die sirenes het verdommen. Mooie boel!

Een meter of vijf voor me liep een behoorlijk oude man. Ik haalde hem in, stak een vinger op en zei: Luister! Onze jeugd. Hij trok een niet-begrijpend gezicht en schudde zijn hoofd. „Ik ben hardhorend.” Daar was geen eer aan te behalen. Jammer, want ik had hem graag gevraagd of hem iets aan dit eigentijdse alarm was opgevallen. Volgens mij is het opgeleukt, een beetje hoger van toon geworden. Het zware, trage onheil is verdwenen. Daarover heb ik een paar jaar geleden al eens een stukje geschreven. Nooit meer iets van gehoord.

Dat op zichzelf kan me niets schelen. Maar bij het luchtalarm is het anders. Het oorspronkelijke geluid van de sirenes is een nationaal auditief erfgoed. Voor degenen die het uit eigen ervaring kennen, gaat er een andere wereld open. De stad is verduisterd (dat wil zeggen: nergens brandt in het openbaar een lamp). Dan beginnen de sirenes te loeien en al vlug daarna hoor je het zware motorgeronk van duizend hoog vliegende bommenwerpers die over een uur een Duitse stad in een puinhoop zullen veranderen. Zoeklichten flitsen aan, in de melkblauwe stralenbundels wordt een vliegtuig gevangen. Dan begint de razernij van het afweergeschut, de piloot doet zijn best te ontsnappen en intussen is de regen van granaatscherven begonnen. De aanvalsgolf is voorbij, het alarm wordt afgeblazen: één langgerekte toon.

Ik ken geen geluid waarin de gruwelen van de oorlog, de tragiek, de vergeefsheid, de spanning en het avontuur van de oorlog zo zijn samengebald als in het luchtalarm. En dan gaan de nieuwe bewakers van onze samenleving dat prachtgeluid moderniseren. Ze zullen het niet begrepen hebben maar in principe is het alsof je De Nachtwacht in vlotte, eigentijdse kleuren overschildert.

Kunstzinnige, architectonische, stedebouwkundige monumenten worden meestal met een pijnlijke zorgvuldigheid bewaard. Maar er zijn complexen die onverbrekelijk met een afgesloten tijdvak verbonden zijn en waarmee we omspringen alsof het minder is dan oud papier. Tot er een kunstenaar komt die zo’n complex in al zijn dramatiek vastlegt. Een goed voorbeeld vind ik The Beanery van Edward Kienholz, tegenwoordig weer in al zijn gerestaureerde glorie te bezichtigen in het Stedelijk Museum. The Beanery is gemaakt in 1965, naar het café The Original Beanery aan de Santa Monica Boulevard in Los Angeles. Je kunt er gewoon inlopen, als je tenminste je beurt wilt afwachten. Het stinkt er als in een ouwe kroeg, er klinkt muziek en ergens ligt een krant met een kop ‘Children Kill Children in Vietnam’. Het enige verschil met de klanten in een gewoon café is dat ze hier een klok op hun schouders hebben. The Beanery is niet zo maar een prachtig kunstwerk. Hier is de tijd bevroren. Kroeglopers ervaren de schok van herkenning. Maar ook degenen die de jaren zestig hebben meegemaakt. In beelden, geuren en geluiden is een afgesloten geschiedenis samengebald. Dat is een ingrijpende sensatie die je ondergaat als een weldaad, net als het geluid van het ouderwetse luchtalarm.

Maar nu de praktische vraag. Wat zouden we uit déze tijd willen bewaren? Beelden, geluiden, geuren die voor de nieuwe generaties, tussen een jaar of tien en dertig tot hun natuurlijke omgeving horen en waarvan ze, als ze die later weer eens plotseling ervaren, in stilte zullen denken: ja, zo was het. Het moet een compacte voorstelling zijn, maar van wat? In de tram en op straat, ja, waar niet, zie ik de jongeren op hun iPads en iPods kijken en drukken, en op hun scooter aan de verkeerde kant van de weg razen. Op de televisie zie ik ze met de armen in de lucht op een of ander festival hossen. En dan moeten alle Nederlanders uit Jemen terugkomen omdat een terroristisch gezelschap daar een gruwelijke aanslag voorbereidt.

Allemaal ervaringen van de nieuwe generaties, maar zijn ze kenmerkend? En hoe maak je er dan een aangrijpend concentraat van? Daarover kunnen alleen die generaties zelf oordelen. En dan over een jaar of dertig, veertig, als ze er opnieuw mee geconfronteerd, even melancholiek zuchten en zeggen: Ja, zo was het.