Het eerste wat ze dacht was: dit zijn vervalsingen

Museumconservator Mariana Dragu is de enige getuige die twee van de gestolen schilderijen uit de Kunsthal in Roemenië heeft gezien. Maar wat deed ze in een appartement met de verdachten? „Ik heb de politie getipt.”

De begraafplaats van Carcaliu, waar de schilderijen waren begraven door de moeder van verdachte Radu D. Ze heeft ze ook weer opgegraven, om ze te verbranden.
De begraafplaats van Carcaliu, waar de schilderijen waren begraven door de moeder van verdachte Radu D. Ze heeft ze ook weer opgegraven, om ze te verbranden. Foto AFP

Op een heldere novemberdag ontmoet Mariana Dragu twee mannen uit de afgelegen en achtergebleven Roemeense provincie Tulcea in een simpel éénkamerappartement in het vijfde district van Boekarest, zone Sebastiaan, een achterbuurt vol vervallen woningen en grijze woonblokken uit de tijd van de communistische dictator Ceausescu.

Dragu werkt als conservator Europese kunst van het MNAR, het Muzeul National de Arte al Romanei, het belangrijkste kunstmuseum van Roemenië. Ze is uitgenodigd door een vriend, Constantin Dinescu, een vastgoedhandelaar die ook antiek en juwelen verkoopt. Af en toe verhandelt hij ook een schilderij.

Dinescu, die eigenaar is van het onbewoonde appartement, is geïnteresseerd in de aankoop van twee schilderijen, maar wil eerst een prijstaxatie inwinnen bij Dragu. Dat doet hij vaker. Hij betaalt haar daarvoor.

De mannen hebben de twee doeken op tafel gelegd. Eén van hen is Eugen D., een stevige 25-jarige man met rossig blond stekeltjeshaar. Hij draagt een rood trainingspak, blauwe spijkerbroek en smetteloos witte gymschoenen. Dragu is verbaasd over de grootte van zijn ronde hoofd.

De ander is een veertiger. Zijn naam: Petre Condrat. In het dorpje waar hij opgroeide, is hij een gevierd man: hij won goud, zilver en twee keer brons bij de wereldkampioenschappen kanovaren. Tegenwoordig is hij model en assistent van de modeontwerper en miljonair Catalin Botezatu, in Roemenië bekend door zijn rol als jurylid in het tv-programma Romania’s Next Top Model. Botezatu is weer een vriend van Dinescu.

De conservator van het nationaal kunstmuseum is een gerenommeerd kunsthistorica, onder meer aangesloten bij Codart, het internationale netwerk van specialisten in Hollandse en Vlaamse meesters. Toch herkent ze de schilderijen niet als twee uit de Kunsthal gestolen werken. Het zijn vrouwsportretten. De één ondertekend door Henri Matisse, de ander door Paul Gauguin. „Ik wist wel dat er een roof had plaatsgevonden, maar ik had me daar niet in verdiept”, zegt ze nu, negen maanden later, in een zithoekje in een van de toegangsruimtes van het museum.

Het eerste wat ze dacht, was: dit zijn vervalsingen. „Werken van grootheden als Matisse en Gauguin zie je zelden in Roemenië. De markt is hier voornamelijk gericht op Roemeense kunstenaars.” Maar toen ze de schilderijen omdraaide, begon de twijfel. „Ik zag stickers en labels van professionele vervoersbedrijven gespecialiseerd in kunsttransport, zoals het Zwitserse Hasenkamp. Daarop was te lezen op welke tentoonstellingen de werken allemaal hadden gehangen.”

Dragu neemt de werken mee naar de badkamer van het kleine appartement, dat ze gebruikt als donkere kamer. Daar bekijkt ze de werken onder ultraviolet licht, waarvoor ze een speciale lamp heeft meegenomen.

Na een half uurtje komt ze weer naar buiten en vertelt ze de mannen dat de schilderijen echt zijn.

In het proces dat dinsdag begint tegen vijf verdachten van de Kunsthalroof, zal de aanklager haar misschien wel vragen dat te herhalen. Waarom? Omdat Dragu de enige te vertrouwen en deskundige persoon is die kan bevestigen dat de schilderijen daadwerkelijk in Roemenië zijn geweest. De echte, uit de Kunsthal.

Maar de grens tussen getuige en medeplichtige is tamelijk dun. Want waarom ging ze eigenlijk in op de uitnodiging van Dinescu de schilderijen te bekijken? Wat deed ze in dat appartement?

De directeur van het Nationaal Historisch Museum, dat andere grote museum in Boekarest in dezelfde straat als het MNAR van Dragu, vraagt zich dat openlijk af. „Mensen die in musea werken, moeten zich niet inlaten met commercie”, zegt Ernest Oberländer-Târnoveanu in zijn werkkamer aan de achterkant van het kolossale museum, als hem naar Dragu wordt gevraagd.

Zwetend en puffend (het is in Boekarest al vijf weken boven de 30 graden) deelt hij ook zijn verbazing over de onwetendheid van de conservator. „Hoe kon het dat ze de werken niet meteen herkende?” En belangrijker: „Waarom belde ze niet direct de politie?”

Eerst de commercie. Dragu legt uit dat ze dit soort taxaties doet om haar inkomen aan te vullen. „De Roemeense wet zegt dat het galeriewezen niet goed kan functioneren zonder gespecialiseerde adviseurs. De minister van cultuur heeft het mogelijk gemaakt voor werknemers van musea als het mijne, om zo’n adviseur te worden.”

En waarom ze de politie niet heeft gebeld? Dat heeft ze wel gedaan. Sterker, volgens Dragu is de opsporing van de verdachten door haar in gang gezet. De opsporingsdienst heeft dit nooit naar buiten gebracht in verband met haar veiligheid. Enkele van de verdachten hebben een verleden van geweldpleging en je weet niet waartoe ze in staat zijn als het om een buit gaat met een verzekerde waarde van 17,1 miljoen euro.

Waarom ze het nu wel vertelt? „Omdat ik lang genoeg door het slijk ben gehaald.”

Dat is waar. Al sinds de arrestatie van de verdachten, in januari, is Dragu genoemd als medeplichtige aan heling. Dragu, een kleine vrouw met kort rood geverfd haar en een montuurloze bril, wil daarom nu graag uitleggen hoe het precies is gegaan, dat weekeinde in november. „Toen ik de mannen had verteld dat de schilderijen echt waren, vroeg ik ze of ze iets wisten van de herkomst. Ze vertelden me dat ze uit Engeland kwamen. Ik zei: ‘je bedoelt: daar zijn ze gestolen?’ Een lange stilte volgde. Daarop zei een van hen: ‘deze schilderijen zijn erg veel waard. Heel veel geld’. Dat hadden ze op internet gezien. Over stelen spraken ze niet, maar iedereen in de ruimte wist toen wat hier aan de hand was. Ik vertelde ze dat de schilderijen op dit moment niets waard waren, geen lei. De jongen met het rode trainingsjack stond op en zei: ‘Vergeet het, de Russen krijgen ze’.”

Thuis ging Dragu zelf via Google op zoek naar de schilderijen. Ze vond ze direct, in een verhaal over de Kunsthalroof. „Toen ik de beelden van de veiligheidscamera uit de Kunsthal zag, je weet wel, die overal zijn te zien, werd ik week in mijn benen. Ik realiseerde me dat de inbraak nog maar een maand geleden had plaatsgevonden. Ik zag dat in Nederland rekening werd gehouden met Albanese en Ierse bendes. Toen werd ik echt bang.”

Ze moet er nu een beetje om giechelen.

„Ik stuurde dat weekeinde een sms’je aan een vriend bij de opsporingsdienst die zich bezighoudt met georganiseerde misdaad. Ik schreef hem: ‘Ik zag iets wat ik misschien liever niet had willen zien. Help me.’ Maandag zat ik bij hem op kantoor.”

In artikelen over geroofde kunst komt altijd weer de vraag naar voren: wat doen kunstdieven met hun buit als die niet via de legale weg is te verkopen? De verzekering chanteren? Of de rechtmatige eigenaar? Via via het tipgeld incasseren? Of gebruiken ze de schilderijen als crimineel onderpand, om zo bij collega-boeven te kunnen lenen? De politie stuit daar soms op en het verklaart waarom sommige gestolen topwerken decennia later nog niet zijn opgedoken.

Er is één probleem met deze bekende opties: ze impliceren dat kunstdieven wéten dat ze hun buit niet eenvoudig kunnen slijten. In het appartement van Dinescu bleek: deze dieven wisten dat niet. Twee maanden na de inbraak waren ze er nog van overtuigd met gemak een koper te kunnen vinden.

Dragu: „Deze jongens wisten helemaal niets. De Gauguin stelden ze aan mij voor als een Van Gogh, om maar iets te noemen. Ze konden nauwelijks lezen.”

Voor Eugen D. zou dat kunnen kloppen. Toen hij in Macin opgroeide, in het zuidoosten van Roemenië, heeft hij niet de moeite gedaan een middelbare school te bezoeken: het bespaarde hem dagelijks twee keer de pont over de Donau. Hij onthield de naam van Henri Matisse, zo vertelde hij in politieverhoor, aan de hand van een autotype: de Daewoo Matiz. Zijn advocaat vertelt dat hij meedeed aan de roof omdat hij ongelukkig was dat zijn vriendin zich prostitueerde, omdat zijn ouders financieel in de klem zaten en hij zelf schulden had, zo’n 30.000 euro. Maria Vasii, de advocaat: „Mijn cliënt dacht dat de kunst slechts een deel van dat bedrag waard was. Hij had geen flauw idee.”

Ook de Roemeense pers kon niet geloven dat de in januari opgepakte verdachten achter ‘de grootste kunstroof van de eeuw’ zaten, zoals de hoogste politiecommissaris van Boekarest de Kunsthalroof noemde. Toch vonden de opsporingsautoriteiten, ondanks twee maanden afluisteren en maandenlange politieverhoren, geen aanwijzingen voor het bestaan van opdrachtgevers.

Nu deze samenzweringstheorie is gesneuveld, richten Roemeense journalisten zich op andere complottheorieën. Zoals: de gestolen schilderijen waren kopieën. De eigenaar van de schilderijen, zo gaat de redenering, zou de kostbare werken nooit hebben opgehangen in een plaats, de Kunsthal, waar de beveiliging zo slecht is. Wellicht wilden zij de verzekering oplichten.

Het is een doldwaze theorie die de rol van Dragu nog groter maakt. Want wie kan er bewijzen dat de schilderijen waar de jonge verdachten mee zeulden, de echte werken zijn? Welke kenner heeft twee van de werken voor het laatst gezien?

Mariana Dragu heeft zelfs nog een foto van de achterkant van de Matisse kunnen maken, op die zaterdagmiddag in november. Destijds was ze belangrijk voor de dieven, om een potentiële koper te overtuigen van de waarde en de echtheid van de werken. Daarna werd ze belangrijk voor de opsporingsdienst, om de identiteit van de dieven te achterhalen. Tijdens het proces zal ze eventueel van belang worden voor de aanklager, om de rechter te overtuigen dat de verdachten niet zomaar een paar kopietjes hadden gestolen en vernietigd, maar de echte schilderijen.

„Daarom ben ik nu zo populair: omdat ik de laatste ben geweest. Mijn foto is ook de laatste bewaarde foto van één van de schilderijen, al is het alleen van de achterkant.”

Ze klinkt trots, realiseert ze zich. Maar dat is ze niet. Aan het eind van het gesprek zegt ze: „Ik betreur het dat ik niet slim genoeg was en niet sterk genoeg om toen, in dat appartement te zeggen: ‘ik weet een koper. Laat ze hier maar achter, ik zorg dat hij morgen langskomt.’ Om vervolgens de politie te informeren.” Ze pakt een telefoon die voor haar staat en klemt de hoorn stevig tegen haar oor. Alsof ze het alsnog doet, om zo de kostbare schilderijen te redden die hoogstwaarschijnlijk in vlammen zijn opgegaan.