Geen democratie zonder fundamentalisten De regering-Morsi was echt geen zooitje terroristen

Met zijn autocratische houding heeft Morsi de Egyptische democratie beschadigd. Maar de militaire coup heeft haar een ware genadeslag gegeven. Mensen op deze manier de mond snoeren kan alleen maar leiden tot meer geweld, stelt Ian Buruma.

Het is een oud probleem, schrijft Ian Buruma: hoe kan een land als Egypte de kloof tussen seculiere, stedelijke elites en religieuze plattelanders dichten?

Leden van de Moslimbroederschap en aanhangers van de afgezette Egyptische president Morsi bidden tijdens een demonstratie voor zijn terugkeer.
Leden van de Moslimbroederschap en aanhangers van de afgezette Egyptische president Morsi bidden tijdens een demonstratie voor zijn terugkeer. Foto AFP

Egypte en Thailand hebben weinig gemeen, op één ding na: in beide landen hebben mensen die er prat op gaan democraten te zijn, op een zeker ogenblik een militaire coup tegen een gekozen regering toegejuicht. In Thailand gebeurde dat in 2006, in Egypte vorige maand. In beide gevallen streden zij jarenlang tegen een militaire dictatuur, en toch waren ze blij toen hun gekozen politieke leiders met geweld werden verdreven.

Die perversiteit valt te verklaren. De gekozen leiders in beide landen – Thaksin Shinawatra in Thailand en Mohamed Morsi in Egypte – waren goede voorbeelden van ondemocratische democraten: ze beschouwden hun verkiezingsoverwinning als een vrijgeleide om de wet naar hun hand te zetten en zich als autocraten te gedragen. Ze zijn op dat vlak geen uitzonderingen. Hun gedrag is wellicht typisch voor leiders in landen zonder noemenswaardige democratische traditie.

De Turkse premier Tayyip Erdogan zit in hetzelfde kamp. En als de leiders van de Algerijnse Islamitische Heilspartij (FIS) in 1991 de macht had kunnen grijpen na hun eerste verkiezingssucces, dan hadden ze zich ongetwijfeld ook tot ondemocratische leiders ontpopt. (In plaats daarvan werden ze neergeslagen door een militaire staatsgreep, nog voor een tweede ronde in de verkiezingen kon plaatsvinden, wat leidde tot een burgeroorlog die acht jaar duurde en naar schatting 200.000 mensenlevens eiste.)

De nasleep van de Thaise coup in 2006 verliep veel minder bloedig. Maar de aanhangers van Shinawatra blijven met een wrang gevoel zitten, zelfs nu zijn zus, Yingluck, premier is. Straatgeweld is er een constante dreiging. De zieke, zwakke koning Bhumibol Adulyadej is het enige symbool van nationale eenheid. Zonder hem zou het geweld tussen de armen op het platteland en de rijke elite in de steden snel weer kunnen oplaaien. Dat voorspelt weinig goeds voor de Thaise democratie. Nog een militaire interventie is het laatste wat dit land nodig heeft.

In Egypte ziet de situatie er momenteel nog slechter uit. De leider van de militaire staatsgreep, generaal Abdul Fattah al-Sisi, heeft gezworen de Moslimbroeders van Morsi hard te zullen aanpakken. Vorige maand openden veiligheidstroepen tot twee keer toe het vuur op aanhangers van de Moslimbroeders, die vreedzaam betoogden tegen de afzetting en de arrestatie van Morsi. Bij die confrontaties kwamen bijna tweehonderd mensen om. De geheime politie, die er onder de voormalige president Hosni Mubarak om bekend stond regelmatig mensen te folteren, is voor het eerst sinds de revolutie van 2011 weer actief.

Democratisch kun je dat allemaal niet noemen. Toch wordt het door veel Egyptenaren gesteund, onder wie zelfs enkele mensenrechtenactivisten.

Zelfs een man die in 2011 op het Tahrirplein door een militair in elkaar werd geslagen, vindt nu dat het Egyptische volk het leger moet steunen en dat alle leiders van de Moslimbroeders in de cel thuishoren. Een vooraanstaand democratisch activist, Esraa Abdel Fattah, heeft de partij van Morsi „een bende door buitenlandse mogendheden gesteunde terroristen” genoemd.

De militaire leiders zeggen precies hetzelfde: uitzonderingsmaatregelen, harde repressie, veiligheidstroepen op straat, het is allemaal nodig „om het terrorisme aan te pakken”.

Sommige buitenlandse commentatoren zijn net zo misleid als de Egyptenaren die de coup steunen. De reactie van een bekende Nederlandse schrijver was typerend: het kan hem niet veel schelen wat er met de aanhangers van Morsi gebeurt, het zijn toch allemaal „islamo-fascisten”.

Buitenlandse mogendheden, met inbegrip van de VS, wenden intussen de blik af. De Amerikaanse regering weigert de gebeurtenis te omschrijven als een coup. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry, beweert zelfs dat het leger „de democratie herstelt”.

Het lijdt geen twijfel dat de regering van Morsi onervaren, zelfs onbekwaam was, en dat ze zich nauwelijks bereid toonde te luisteren naar andere stemmen dan die van haar aanhangers – die vaak allesbehalve democraten zijn. Maar terroristen zijn het niet. En Morsi was geen Egyptische versie van de Iraanse ayatollah Khomeini.

De door Morsi gewonnen verkiezingen gaven miljoenen mensen voor het eerst een politieke stem. Velen van hen waren arm, niet opgeleid en erg godsdienstig. Misschien waren ze geen goede democraten en waren ze weinig tolerant voor mensen met andere opinies. Ze hielden er meningen op na waar seculiere democraten van huiveren: over de rol van de vrouw, over seks, over de plaats van de islam in het openbare leven. Maar die mensen met geweld het zwijgen opleggen en ze terroristen noemen, kan slechts tot één ding leiden: meer geweld.

Als je de uitslag van democratische verkiezingen niet respecteert, zoeken mensen andere manieren om hun stem te laten horen. Morsi mag met zijn autocratische neigingen de democratie schade hebben berokkend, door een coup tegen hem te plegen heeft het leger die democratie de genadeslag gegeven.

Het is een oud probleem: hoe overbrug je in ontwikkelingslanden de kloof tussen de seculiere, min of meer ‘westerse’ stedelijke elites en de armen op het platteland? Een mogelijkheid is om seculiere modernisering op te leggen door de armen en hun religieuze organisaties te onderdrukken. Maar Egypte heeft al de genadeloze repressie moeten ondergaan van seculiere politiestaten, zowel linkse als rechtse.

De andere oplossing is om de democratie een kans te geven. Dat lukt nooit zonder een of andere vorm van religiositeit toe te laten in het openbare leven. Democratie zal in het Midden-Oosten nooit werken zonder rekening te houden met de islam. Zonder de vrijheid om andere meningen of geloofsovertuigingen te uiten, zal die democratie echter altijd ondemocratisch blijven.

Dat laatste kunnen partijen van fundamentalistische moslims moeilijk aanvaarden. Veel van hen verkiezen een ondemocratische vorm van democratie. Maar wie de democratie genegen is, moet aanvaarden dat fanatieke moslims ook het recht hebben een politieke rol te spelen. Het enige alternatief is immers een terugkeer naar de autocratie. Hoe meer de militaire coup tegen Morsi wordt toegejuicht, des te groter de kans dat het die laatste optie wordt.

Ian Buruma is een Brits-Nederlandse auteur.