‘Duitsers vertelden mij wat ze namen’

Henk Kraaijenhof (57) ziet al decennia dat doping geen exclusief Oost-Duitse aangelegenheid was. Maar hij vindt de dopingcontroles doorgeschoten. „Een jointje bevordert je prestaties niet.”

Henk Kraaijenhof: „Details over West-Duitse doping pasten toen niet in de hype.”
Henk Kraaijenhof: „Details over West-Duitse doping pasten toen niet in de hype.” Foto’s Merlijn Doomernik

Als jonge trainer zit Henk Kraaijenhof in 1981 op een sprintcongres in Venetië aan tafel met een aantal Oost-Duitsers en Canadezen. Tussen twee gerechten door krijgt hij de vraag: What are your girls using? Pardon, zegt Kraaijenhof. Wat bedoelt u? Supplements, drugs?, vraagt zijn disgenoot verder. Kraaijenhof: „Ik was trainer van Jong Oranje, meisjes van zeventien. Scholiertjes nog. Die liepen de 100 meter in 12,2 seconden, heel schattig. Ik had geen idee waar die man het over had.”

Die tafelgenoot was Charlie Francis – de coach van de Canadese sprinter Ben Johnson, die in 1988 zijn olympische titel op de 100 meter zou verliezen nadat hij was betrapt op het gebruik van anabolen.

Kraaijenhof (57) wil maar zeggen: het was allang bekend dat niet alleen de Oost-Duitsers het patent hadden op dopinggebruik. Deze week raakte Duitsland in shock na de onthulling dat ook West-Duitsland zijn sporters systematisch had gedrogeerd. Maar voor Kraaijenhof, oud-trainer van onder anderen de sprinters Nelli Cooman, Merlene Ottey en Troy Douglas, was het niks nieuws. „Diverse West-Duitse sporters hadden al in hun biografie verteld wat daar allemaal gebeurde. Maar toen paste het niet in de hype. Het enige nieuwe is dat al die details nu bij elkaar zijn geveegd.”

Toen er op dat congres in Venetië een paar glaasjes wijn waren geschonken, om een uur of één in de nacht, werden de Oost-Duitsers loslippig. Kraaijenhof: „Ze vertelden ons niet de hele waarheid, maar wel wat ze slikten. Dat wisten we ook al wel een beetje. Die records konden niet alleen komen door hun goede trainingsmethoden. Het kon niet zo zijn dat zij alle wijsheid in pacht hadden en wij helemaal niets.”

Zelf trad Kraaijenhof op als tolk tussen de Duits- en Engelstaligen, omdat hij de enige aanwezige was die beide talen goed sprak. „Daar bleek wel dat dopinggebruik ook gemeengoed was in andere landen. Iedereen was nieuwsgierig naar wat de anderen deden. Het bleek ook te gebeuren in Amerika, Spanje en, inderdaad, West-Duitsland.”

Als jonge atleet had Kraaijenhof al weleens getraind in Leverkusen, onder de rook van Keulen. „Daar kwamen van die grote kogelstoters voorbij. Bij die gelegenheden kwam hun verhaal ook wel boven tafel. Ze gaven alleen niet te veel details.” Wel, zegt de voormalige trainer, moet je daarbij bedenken dat wat we nu kennen als ‘doping’, in de jaren zeventig nog niet als zodanig werd benoemd. „Je kon doping nog gewoon in de apotheek kopen.”

Het verschil tussen de Oost- en West-Duitse atleten, zegt Kraaijenhof, is dat de westerlingen in theorie nog zelf mochten weten of ze doping namen of niet. De voormalig West-Duitse sprintster Claudia Lepping getuigde deze week in Die Tageszeitung dat veel atletes dachten dat het wel goed was om mannelijke hormonen te slikken, omdat hun trainers het ook voorschreven aan hun eigen partners. Het gevolg was dat veel vrouwelijke sporters de baard in de keel kregen en deels hun vrouwelijke kenmerken verloren.

Natuurlijk zijn dat vervelende uitwassen van overmatig dopinggebruik, zegt Kraaijenhof. „Maar het gaat er bij mij niet in dat die vrouwen niet wisten wat ze deden. Goed, als je twaalf bent misschien. Maar als je na je achttiende op een ochtend wakker wordt met een zware stem, weet je heus wel wat er aan de hand is. Ik vind dat de sporters in elk geval deels verantwoordelijk zijn voor hun eigen dopinggebruik.”

Maar, voegt hij toe, natuurlijk niet alleen de sporters. „Ook bondsbestuurders, artsen, dopingcontroleurs en politici hebben boter op hun hoofd. Er zijn talloze voorbeelden bekend van dopinggevallen die werden verdoezeld, omdat dat beter uitkwam. Op het eerste WK atletiek, in 1983 in Helsinki, waren diverse topatleten positief. Maar die testen verdwenen op miraculeuze wijze. Want dat eerste WK moest natuurlijk een succes worden.”

Volgens Kraaijenhof worden de „echte hardcoregebruikers, zoals Lance Armstrong” nooit gepakt. Wél wordt er een schandaal gemaakt van „de neusdruppels van de Jamaicaanse sprinter Asafa Powell”, het vervuilde vlees van de Spaanse wielrenner Alberto Contador, of een hockeyer die een jointje heeft gerookt. „Die dingen bevorderen de prestaties helemaal niet. Maar we hebben nu eenmaal ooit besloten dat dat doping is. We trekken ergens een grens, en die is per definitie arbitrair.”

Over de toekomst van de topsport is Kraaijenhof niet zo opgewekt – en niet omdat er zo veel doping wordt gebruikt. „Er is weinig anders meer dan doping. Topsporters moeten zich op persconferenties verantwoorden voor hun prestaties. Het wás al niet zo leuk om topsporter te zijn: weinig inkomsten, veel bloed, zweet, tranen en frustratie. Voor de toppers, zoals Usain Bolt of Ranomi Kromowidjojo, is het afbreukrisico groter dan de kans op succes. Als ik hen was, zou ik ermee stoppen.”