De zon verdrijft de geesten

wandelt deze zomer elke week naar een uitspanning. Deze week naar het Boshuis in Drie, bij Ermelo.

Het Boshuis in Drie
Het Boshuis in Drie

Hier leidden ooit, zo wil de legende, heidense priesters een liederlijk en losbandig leven, totdat tijdens een kerstnacht de grond onder hun voeten zich onder storm en bliksem opende en hun klooster verzwolg. Wat rest is, midden in de bossen, dit diepe Solse Gat. Bij volle maan moet je de gebarsten kloosterklokken nog kunnen horen luiden en komen de geesten van de priesters jammerend uit hun gat, maar nu is het een en al zomerse idylle. Door het bladerdak van het geboomte heen zet de zon het tapijt van kroos, riet, waterlelie en adderwortel, dat het laatste restje water in de leemkuil bedekt, in een teer zachtgroen licht. Er zweven grote libellen boven en als de twee boswachters in hun fourwheeldrive eenmaal vertrokken zijn, heerst er een diepe stilte rondom.

Het is de heetste dag van het jaar en we laten het bij een bescheiden rondwandeling. Er hangt een on-Hollandse loomheid in het bos, dat weeïg zoet ruikt – vergeefs gissen we waarnaar eigenlijk. Zonlicht speelt langs de boomstammen, waaraan tal van tondeldozen zich hebben vastgehecht. Veel beuken zijn gespleten: getroffen door de bliksem? In het kale hout van een dode boom heeft een anonieme kunstenaar een enorme kever uitgehouwen. Tussen dennen zien we met gras begroeide glooiinkjes; als er geen bordje bij stond hadden we niet geweten dat het grafheuvels zijn.

Het is vakantie, er zijn volop campings in de omgeving, maar niemand kruist ons pad. Toen we hier in de laatste winter liepen waren er loipes uitgezet voor de langlaufer, nu huifkarroutes voor toeristen die zich willen laten rijden, maar ook die zien we niet. We houden de zon rechts, dan recht voor ons en ten slotte links van ons: zo moeten we vanzelf bij het Boshuis Drie uitkomen en dat is ook zo.

‘Een dag sonder wien is krek een dag sonder sonneskien’, staat op de draagbalk onder het eeuwenoude plafond. Drie heet het gehucht hier, een paar huizen plus die uitspanning, oorspronkelijk in 1765 gebouwd als boerderij en fraai intact gehouden: verweerd gesteente en een lage gelagkamer, zo klein dat je voor het diner tijdig moet reserveren. In februari lukte het ons, we namen natuurlijk de stoofschotel van ree volgens ‘geheim recept’, maar nu laten we het bij cappuccino op het terras, in de volle zon, omdat alle plaatsen in de schaduw bezet zijn. Spoedig gutst zweet ons van het gelaat.

Het loopt tegen twaalven, het is al ruimschoots boven de dertig graden en graag gaan we het koele lommer van het Speulder- en Sprielderbos weer in waar, naar men zegt, grillige, soms onderling vergroeide bomen bij geëigend weer gaan ‘dansen’, maar nu staan ze roerloos stil in de hitte van het middaguur.