Restauratie van een lijk van marmer

De Grote Kerk in Vianen herbergt een uniek maar vervallen praalgraf uit 1556. De kerkbeheerder heeft eindelijk vier ton voor restauratie bijeen.

In het praalgraf: de ‘transi’, een menselijk lichaam ten prooi gevallen aan verrotting.
In het praalgraf: de ‘transi’, een menselijk lichaam ten prooi gevallen aan verrotting. Foto Rien Zilvold

In de Grote Kerk van Vianen staat een uitzonderlijk zestiende-eeuws grafmonument. Het manshoge praalgraf heeft twee verdiepingen, met op de bovenste de levensgrote stenen portretten van de overledenen, Reinoud III, heer van Brederode, en diens echtgenote Philippote van der Marck. Daaronder ligt een macabere uitbeelding van een menselijk lichaam in staat van ontbinding. De sculpturen verkeren na vierenhalve eeuw in niet al te beste staat. Kerkbeheerder Margreet Kluit-Roozen -ijvert al twintig jaar voor het bijeenbrengen van de benodigde fondsen voor restauratie. Onlangs hebben provincie en gemeente in totaal 125.000 euro toegezegd. Maar: hoe wil je zo’n graf restaureren?

Het praalgraf in Vianen kwam tussen 1540 en 1556 tot stand. Het wordt toegeschreven aan beeldhouwer Colijn de Nole, die afkomstig was uit het Noord-Franse Cambrai en vanaf 1530 in Utrecht is gedocumenteerd. Het zogenaamde ‘dubbeldekkergraf’ bestaat uit een stenen plaat die als een tafel rust op vier pilasters. Bovenop liggen Reinoud (1492- 1556) en zijn vrouw in serene, slapende poses met in de schoot gevouwen handen. Staande engelen aan hoofd- en voeteneinde houden toortsen op, terwijl op de vier hoeken van de baar nogal uit de kluiten gewassen putti met de familiewapens zitten. Elk van de naakte ventjes houdt bovendien een gedoofde fakkel ondersteboven vast, als symbool voor het beëindigde leven. Op de onderste verdieping van de dubbeldekker ligt een ‘transi’, een menselijk lichaam dat ten prooi is gevallen aan verrotting. Wormen en slangen kringelen zich in de gaten die zijn gevallen in het gedeeltelijk ontvleesde lichaam, botten en ingewanden zijn zichtbaar.

Van een dergelijk graf in twee verdiepingen is in Nederland maar één ander voorbeeld bekend: het monument voor Engelbrecht II van Nassau en diens vrouw, dat omstreeks 1530 werd opgericht in de Grote Kerk van Breda. Het graf in Vianen is opvallend omdat het een renaissancevormentaal combineert met een voor die tijd tamelijk ouderwetse vormgeving van de memento mori-boodschap. Het monument moet, ook na de overgang van stad en kerk tot het protestantisme, in hoog aanzien hebben gestaan. Honderd jaar na zijn ontstaan, omstreeks 1650, werd er een beschilderde houten baldakijn omheen geplaatst, toegeschreven aan de befaamde architect Jacob van Campen van onder meer het Paleis op de Dam en het Mauritshuis. Toch is de belangstelling voor het graf in de loop der tijd verminderd en is er weinig serieus onderhoud aan gepleegd.

Voor de restauratie is een kleine vier ton nodig. „Je kunt je afvragen waar al dat geld voor nodig is”, zegt Margreet Kluit, die samen met haar man Hans als een wandelende encyclopedie van de kerk optreedt. „Maar in verhouding tot het miljoenenbedrag dat is gespendeerd aan de restauratie van het praalgraf voor Willem van Oranje in Delft vallen de kosten nog mee.”

Dit grafmonument in Vianen is enigszins te vergelijken met het Oranje-praalgaf in Delft, dat in 2001 grondig gerestaureerd werd. Wat Vianen betreft: naast schoonmaak en consolidatie van het hier en daar afgebrokkelde en gebarsten beeldhouwwerk, kan ook het baldakijn een opfrisbeurt gebruiken. En er moet veel gebeuren aan het twee meter hoge zandstenen altaar bij het voeteneinde van de overledenen. Verdeeld in drie compartimenten lijkt het bijzonder zeldzame, maar zwaar beschadigde altaarstuk op een kijkkast met reliëfs en losstaande heiligenfiguren.

Het Brederodegraf is een uniek monument, beaamt Frits Scholten, hoofdconservator beeldhouwkunst van het Rijksmuseum. „Het belang ervan staat buiten kijf en het werk verkeert niet in topconditie”, zegt hij. Toch bepleit hij terughoudendheid bij een restauratie, die volgens hem met name voor het retabel (altaarstuk) nodig is. „Een overdaad aan zonder meer goedbedoeld, lokaal enthousiasme voor zo’n restauratie kan ook leiden tot een opgepoetst, maar tijdgebonden resultaat waarvan je over twintig jaar misschien moet zeggen: was dat maar niet zo gedaan.” Het inzicht in restauratietechnieken en bijvoorbeeld de eigenschappen van steensoorten is nu eenmaal voortschrijdend.

Over de eerder genoemde restauratie van het praalgraf van Willem van Oranje uit in Delft ontstond in 2001 discussie. Zoutkristallen in de poriën van het marmer drukten de steen kapot. Het marmer verpulverde daardoor. De pilaren van het graf konden alleen nog maar gered worden door ze van binnen vol te spuiten met plexiglas: een omstreden methode, want de kunststof is niet te verwijderen. Maar van zo’n aanpak is in Vianen vooralsnog geen sprake. Het bedrijf dat vooronderzoek heeft uitgevoerd en ook de restauratie zal doen is architectenbureau Verlaan en Bouwstra uit Vianen. Dat heeft zich verzekerd van de medewerking van kunsthistoricus en restauratieadviseur Pier Terwen, die ook betrokken was bij de grootscheepse restauratie van het Oranjegraf in Delft en de nu bijna voltooide restauratie van het monument voor de zeeheld Maarten Tromp in de Oude Kerk in die stad.

Terwen vermoedt dat de eerste subsidiebedragen voldoende zullen zijn voor het bekostigen van restauratie van het graf. Terwen pleit ook voor voorzichtige restauratie: „De avendersteen waarvan het altaarstuk is gemaakt, is bijzonder teer. Restauratie ervan kun je vergelijken met die van de Dode Zee-rollen: wat kun je doen om te voorkomen dat alles verbrokkelt? De tijd die nodig is voor de schoonmaak van het monument, kan het onderzoek ter voorbereiding van de aanpak van het altaarstuk alleen maar ten goede komen.”