Ja joh, dacht ik. Dit gaat gewoon niet

Lieuwe Westra moest veertig kilometer voor het einde van de Tour opgeven. „Ik zat daar. Kon niet praten. Helemaal niks.”

Lieuwe Westra: „Ik stapte de bus in en viel bijna van mijn stokje. Ik kon niks meer.”
Lieuwe Westra: „Ik stapte de bus in en viel bijna van mijn stokje. Ik kon niks meer.” Foto Kees van de Veen

Hoeveel is veertig kilometer? Niks, als je net in drie weken tijd van Utrecht naar Madrid hebt gefietst. En terug.

Veertig kilometer moest wielrenner Lieuwe Westra (30) nog, tijdens de laatste Tour de France. Maar de renner van Vacansoleil (volgend seizoen Astana) kon het niet meer opbrengen. In het zicht van de haven, op de Champs-Élysées in Parijs, stapte hij af. Als enige. Gesloopt.

Het komt zelden voor dat een renner in de Tour de laatste etappe niet uitrijdt. Het gebeurde acht keer eerder sinds de Tweede Wereldoorlog. Sprinter Jeroen Blijlevens was in 2000 de laatste. Hij werd uit de uitslag gehaald wegens een vechtpartij met Bobby Julich.

De traditionele rit naar Parijs is geen echte Touretappe. Het is eerder een feestelijke afsluiting. Je ziet wielrenners tijdens de rit al de champagne ontkurken. Tourwinnaar Chris Froome rookte dit jaar zelfs een sigaar op de fiets.

Westra woont in Tijnje in Friesland. Dat is, voor tijdrijder Westra, drie kwartier fietsen van zijn geboortedorp Munein. Het is even schrikken als je Westra ziet, voor wie geen wielrenkoppen gewend is. Strak afgetraind, broodmager. De bruine armen die stoppen op de rand van het wielershirt. De laatste herinnering aan de Tour.

Westra wrijft over zijn schrale rechterarm. Een erfenis van zijn valpartij in de Dauphiné. De val waarbij Westra met 70 kilometer per uur tegen het asfalt klapte. Zijn eigen schuld, zegt hij. Hij had het stuur „te los vast”. Gevolg: kneuzingen over het hele lichaam en drie gebarste ribben. Westra keek er eens naar, pakte wat pijnstillers, kroop op de fiets en reed de rit uit.

Een wielrenner stopt niet. Wielrennen is „vallen en dom doorrijden”, zegt Westra.

Die val is uiteindelijk fataal gebleken.

Westra: „Ja, daar is het allemaal begonnen. Ik lag van alle kanten open. zo’n knal. Dat heeft een streep gezet door m’n Tour. Ik heb me tijdens de Tour drie weken slecht gevoeld. Keelpijn, moeite met ademen, antibiotica. Elke dag had ik aan de telefoon met m’n vriendin hetzelfde gesprek. ‘Hoe gaat ‘t? Ja, niet goed. Ik kan niet meer praten. Ik ben er klaar mee. Ik kan echt niks.’ Elke dag weer. Achteraf had ik in de Dauphiné beter af kunnen stappen.”

Beschrijf eens hoe die laatste dag in de Tour ging. Je werd wakker. En toen?

„Niks.”

Niks aan de hand?

„Ik lachte toen ik opstond. Mooi, dacht ik. Slechte Tour, maar ik heb het toch gehaald.

„Het was een avondrit. We vlogen naar de start toe. Daarna lang wachten op het parkeerterrein met z’n allen. Vier uur lang lol maken. Iedereen is opgelucht. Het is klaar. We doen de kleding nog even aan, we fietsen nog 133 kilometer. Die twee klimmetjes van een kilometer, die schrijf je niet eens meer op het papiertje op je stuur.”

En toen?

„We reden veertig per uur ofzo, weet ik het. Goed te doen. Ik zat mooi achterin. Ik dacht: ik ga na zo’n Tour nu niet in één keer vooraan rijden.

Het was vooral grappen maken, tot die eerste klim. Ik ging verzuren. Ik was blij dat ik na een kilometer al boven was. Het zal wel, dacht ik. Hierna nog zo’n dingetje en dan is het klaar.

„Twintig kilometer voordat we de Champs-Élysées opreden gingen ze controleren en tempo rijden. Zeventig per uur. ik dacht: doe eens een beetje normaal. Er werd zo hard gereden. We draaiden de eerste keer over de finish heen [de renners reden tien rondjes over de Champs-Élysées]. Het loopt daar een beetje omhoog. Ik verzuurde, begon te hijgen. Dit gaat niet goed, dacht ik. Ik zag mensen die lek reden, en me weer inhaalden. Ik had m’n zonnebril op, normaal doe je wel voorzichtig met dat ding, maar ik heb ‘m zo ver weggesmeten. Ik kwam niet meer vooruit. Ja joh, dacht ik. Dit gaat gewoon niet.”

Wat spookt er op zo’n moment door je hoofd?

„Hoeveel kilometer is het nog? Wat kan ik doen? Oké veertig. dat is nog best een eind. Dan moet ik nog een uur fietsen. Misschien kan ik wachten? Twee minuten aan de zijkant uitrusten en weer aanpikken bij de groep? Kan m’n team me helpen? Maar het had geen zin meer.”

Je valt in de Dauphiné, scheurt helemaal open, stapt weer op de fiets en rijdt de rit uit. Waarom toen wel en nu niet?

„Kijk, als het een normale koers was geweest was ik al veel eerder afgestapt. Maar het is de Tour. Ik kwam zo dichtbij, dan wil je ‘m ook uitrijden. Dat heb ik altijd in m’n hoofd gehouden als ik loste, waar dan ook. Uitrijden zal ik.

„Maar ik heb er vrede mee. Omdat ik de bus instapte en bijna van m’n stokje viel. Ik was gewoon bijna weg, zeg maar. Ik zag het gezicht van de buschauffeur vertrekken toen hij me zag. Ik zat daar. Kon niet praten, helemaal niks.”

En toen? Naar huis?

„Ik reed weg, achter de finish langs precies toen de rest net voorbij kwam scheuren. Daar rijd je dan met je rugnummer op. En ik dacht: ik rij nu hier en zij rijden daar. Daar waar ik hoor.

„Ik ben naar het hotel gebracht. heb snel m’n koffer gepakt. Toen ik buiten kwam, stond mijn familie er. Snel de auto in, naar huis. Het eerste wat ik zei: ‘ik ben blij dat ik hier weg ben’. Toen was het wel even stil.

„Het bleef lang stil. Heel stil. Maar dan beginnen ze toch te praten. Over de goeie dingen. ‘Je bent toch zo ver gekomen’. ‘Je bent toch kampioen van Nederland’. Dan is het best een eind rijden.”