Hoef ik alsjeblieft niet naar de Deltawerken

Corine Kisling: Het badhuis. De Arbeiderspers, 158 blz. € 17,95

Het begint met een mooie badscène. Marie, bijna tachtig, is even weggedommeld en schrikt wakker in het afkoelende water. Ineens ligt er een ‘getaande klauw’ op de rand van het bad. Is dat de klauw van een indringer? Van een griezelig dier? Marie schrikt nog een keer als ze zich realiseert dat het haar eigen hand is. ‘Haar hand is oud geworden. Heel oud. Wanneer is dat gebeurd?’

Het woord ‘dement’ of ‘Alzheimer’ komt niet voor in Het badhuis, de vijfde roman van Corine Kisling (ook bekend van gezamenlijke thrillers en historische boeken met Paul Verhuyck). Maar het wordt al snel duidelijk dat er iets mis is met het brein van Marie. Ze is niet meer helemaal bij de tijd. ‘Alles zit in de knoop. De uren, de dingen, en vooral de dag van vandaag.’

In de supermarkt kan ze de koffie niet meer vinden. En als iemand in het dorp haar een vraag stelt, wordt ze onrustig. Als ze het juiste antwoord niet weet, komen ‘ze’ haar misschien wel halen. ‘En dan moet je voor de rest van je leven liedjes zingen en uitstapjes maken naar de Deltawerken.’ Zoals bij veel oude mensen is haar besef van het hier en nu verstoord, maar weet ze nog wel alles van vroeger. Toen er nog bakkers en kruideniers waren, de katholieke kerk nog bloeide, er nog niets geprivatiseerd was, en in de zomermaanden de zon altijd scheen.

Heden en verleden komen afwisselend aan bod. In het ene hoofdstuk zit Marie zich in bad zorgelijk af te vragen waar haar schip zal stranden. Zal ze eindigen zoals de narrige dorpsgenoot die een jaar dood in zijn stoel zat voordat hij werd gevonden? In het andere hoofdstuk zien we haar als kind, als jonge vrouw, en als huishoudster van diverse pastoors.

Het klinkt allemaal als een nostalgische dorpsroman over die goeie ouwe tijd, maar het bijzondere is nu juist dat er hier geen goeie tijd lijkt te zijn. Van zowel het heden als het verleden worden de minder prettige kanten belicht. Het is eigenlijk een lange aaneenschakeling van ellende: gemiste huwelijkskansen, fatale blikseminslag, kwaadaardige pastoors die stervende oudjes van hun laatste bezittingen beroven, depressie, incest, brandstichting, een vergiftigde hond, moord. En tussendoor klinkt steeds het slechte geweten van Marie die ooit, in haar puberteit, een grote misstap beging, waardoor haar beste vriendin zelfmoord pleegde.

Toen was het niks en nu is het nog steeds niks. Zo zou je het boek kunnen samenvatten, maar het is niet helemaal waar. Ooit, in haar jongste jaren, was onze Marie wel degelijk een gelukkig, onbevangen meisje dat zich niet kon voorstellen ooit iemand kwaad te zullen doen. Nu ze haar leven op haar oude dag nog eens heeft overdacht, zo suggereert Kisling, zit haar taak erop. En ook haar straf.

Het klinkt zoetsappig – en dat is het ook wel een beetje. Het boek eindigt zoals het begint: met een badscène. Marie zit nog steeds in het bad. Nu blaast ze bellen, met haar ring en een blokje zeep. Alle ellende is voorbij en ook al vergeten, zo lijkt het. Eindelijk terug in het kinderparadijs, voor zolang het duurt.