Hoe God en Eros zich verzoenden

Het boeiendste deel van Seks en de kerk van Rimmer Mulder gaat over personen en instellingen die in de jaren zestig wanhopig de oude en nieuwe tijd probeerden te verbinden – en daar maar heel gedeeltelijk in slaagden.

Neem de gisteren op 87-jarige leeftijd overleden Bossche bisschop Jan Bluyssen. Hij wilde in eigen kring begrip kweken voor de protesten tegen de strakke seksuele moraal van de Kerk, maar hechtte ook sterk aan de eenheid van die Kerk. Het eerste leverde hem schouderklopjes van verlicht Nederland op, maar geharnaste tegenstand en onbegrip van Rome en gramschap van conservatieven in eigen land.

In protestantse kring trof het blad Prinses een nog harder lot. Het damesblad deed sinds 1961 dappere pogingen zowel christelijk als eigentijds te zijn (sinds enkele decennia een courante tegenstelling). Op een omslag van Prinses stond een frivole schaatsster Sjoukje Dijkstra met kort rokje. Met daaronder dikke panty’s om de benen te verbergen – dat dan weer wel.

Intussen stak lezersredacteur Lieve Lita ongehuwde moeders een hart onder de riem, die weinig begrip van hun dominee ondervonden. Gelovige christenen vonden Prinses op den duur te licht. Vrouwen van de wereld legden het als truttig terzijde. In december 1974 verscheen het laatste nummer.

Journalist Rimmer Mulder doet in Seks en de kerk (niet te verwarren met W.J. Ouweneels Seks in de kerk) uiterst leesbaar verslag van de soms helse pijn en moeite waarmee christelijk Nederland zich aan de seksuele revolutie van de jaren zestig probeerde aan te passen en daar grotendeels door gespleten raakte. Wat dat aangaat deed De pil van de firma Organon uit Oss het werk van Maarten Luther als het ware nog eens dunnetjes over.

De voormalig hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant beschrijft die pijnlijke overgang met invoelingsvermogen en met een journalistiek oog voor detail. Daarbij helpt dat Mulder zelf afkomstig is uit een gereformeerd milieu in Drachten.

God en Eros hebben een ongemakkelijke relatie, weten we sinds Augustinus. De kerkvader pleitte voor seksuele onthouding als hoogste ideaal. De mens kwam daardoor dichter bij God. Hoe prachtig misschien ook, deze stellingname bleek in de praktijk onhoudbaar.

Begeerten

Kansrijker was de apostel Paulus, zo vertelt Mulder ons, al zo’n drie eeuwen voor Augustinus. De vleselijke begeerten waarmee de mens sinds de zondeval in het paradijs worstelde, waren volgens Paulus maar op één manier te beteugelen: via het huwelijk tussen man en vrouw. Seksualiteit bleef problematisch en zou dat zo’n tweeduizend jaar blijven.

Terecht beklemtoont Mulder hoe razendsnel dit in de laatste drie decennia van de twintigste eeuw veranderde. Nog vlak na de oorlog waren de katholieken van Louis Beel en de sociaal-democraten van Willem Drees, eensgezind een offensief voor huwelijkse trouw begonnen.

De katholieke kerk stond er als grootste kerkgenootschap zeer goed voor. Grote katholieke gezinnen zorgden voor steeds meer nieuwe scholen en instellingen. Het verbod op de vrije verkoop van condooms, in 1911 ingesteld, hield tot 1971 stand. Tot datzelfde jaar was het ook uiterst moeilijk om van elkaar te scheiden.

Toch was de dikke christelijke ijslaag bovenop het vuur der begeerte kort na de oorlog enigszins gaan smelten. Al in 1949, waren zestig psychiaters, theologen en artsen in Utrecht bijeen gekomen om over masturbatie te spreken. Moest dat nu nog steeds als een zwaar vergrijp worden beschouwd, zoals de christelijke leer voorschreef, of juist als onderdeel van de ontluikende seksualiteit van jongelingen?

De ‘masturbantendag’, zoals de bijeenkomst bekend kwam te staan, kwam er niet helemaal uit. Maar bijeenkomsten als deze gaven progressieve psychiaters als Kees Trimbos wel een podium om hun eigen evangelie uit te dragen. Het geestelijk klimaat warmde op. Zielzorg werd steeds meer een domein van begripvolle professionals, en steeds minder van hel-en-verdoemenis predikende dominees en priesters.

Een keihard postuum oordeel over hoe paters en priesters in deze zielzorg faalden, werd onlangs geveld. Na onderzoekingen van deze krant en de Wereldomroep, concludeerde de commissie-Deetman in 2011 dat tussen 1945 en 1981 tussen de tien- en twintigduizend kinderen in katholieke instellingen slachtoffer waren geweest van seksueel misbruik. De commissie voegde er overigens meteen aan toe dat dit geen exclusief katholiek probleem was.

Jeugdzorg

Mulder volgt dit oordeel. Hij schrijft het misbruik toe aan de misvormende werking van het celibaat, maar ook aan de afhankelijkheidsrelatie van de kinderen ten opzichte van hun meerderen. Machtsmisbruik speelde net zo sterk in openbare instellingen van jeugdzorg. Tevens oppert Mulder dat het probleem in protestantse kring misschien wel net zo groot was, maar dan in de beslotenheid van het gezin.

Met het seksueel misbruik was in elk geval voor monseigneur Bluyssen, een van de hoofdrolspelers in Mulders boek, de cirkel rond. Zoals hij een halve eeuw eerder voorzichtig enige afstand ten opzichte van het gezag had gekozen, deed hij dat december 2011 opnieuw. Uit piëteit met de slachtoffers gelastte Bluyssen de feestelijkheden rond de vijftigste verjaardag van zijn bisschopswijding af.