Geen tijd meer, maar haast

Wie poëzie leest, wil graag iets ervaren van urgentie: de sensatie dat je misschien niet helemaal begrijpt wat er wordt gezegd, maar dat je er in ieder geval geen enkele twijfel over hebt dat het heel erg belangrijk is wat er wordt gezegd. Dat hebben dichters gemeen met profeten. De ongelovigen luisteren met opengevallen monden naar onheilstijdingen die weergalmen uit een andere dimensie.

Het gedicht ‘Men moet’ is gestolde urgentie. Er is geen tijd voor uitleg. Er zijn alleen taken en verplichtingen. En er is haast. Het herhaalde woordje ‘nog’ suggereert op onheilspellende wijze dat het misschien al te laat is. Terwijl er nog zo veel moet gebeuren.

Hier spreekt iemand die, in het haast paniekerige besef van de weinige tijd die hem nog rest, zich probeert voor te bereiden op de dood, wanneer de ziel als een vlinder wordt begraven en van het ogenblik niets rest dan een herinnering. Voor die tijd moet de balans worden opgemaakt, de zomers geteld en het oordeel geveld. Hij moet in het reine komen met de fouten die hij heeft gemaakt. Het is de hoogste tijd om de bloedplas, die hij zo lang verborgen heeft weten te houden, te tonen aan de buitenwereld. En hij moet het allerlaatste doen wat hij nog kan om zijn zonen en dochters uit te rusten met de middelen om voort te bestaan zonder hem.

Ilja Leonard Pfeijffer