De tuin trekt zich terug

Elk jaar aan het eind van de zomer mompel ik wel een paar keer ‘trager de wespen, schaarser de dazen’, – lang kort kort, laaang kort/ lang kort kort, laaang kort. Omdat het waar is maar ook omdat het zo heerlijk is om deze eerste strofe te zeggen, met zijn verrukkelijke metrum en die zangerige a’s en schorre g’s. Soms voel je maar al te duidelijk dat poëzie ook een vorm van muziek is. Waarbij je misschien niet meteen aan Gerrit Kouwenaar denkt. Toch zingt hij, en hij zingt hier zoals wel vaker een heel weemoedig lied. Het gedicht beschrijft het afscheid van het zomerhuis, de dagen worden korter, het huis gaat op slot, het boek wordt niet meer uitgelezen.

Het sterven is een alledaagse bezigheid in dit gedicht waarin het leven en alles wat het met zich meebrengt aan verwachtingen afloopt tegelijk met die zomer. De tuin trekt zich terug in zichzelf, de laatste vlammen zullen doven, rouwranden om alles wat er nog is. Hoe kan Kouwenaar dat toch, zingen en kalm beschrijven tegelijk, zo ontroerend zijn en toch zo afstandelijk blijven. Juist daardoor natuurlijk. Hij beheerst de taal, het gevoel, de muziek. De krachtige melancholie woelt zich overal doorheen.

Marjoleine de Vos