De tolk van ‘ons’ Nederlanders

Welke man gaat schuil achter PVV-leider Geert Wilders en wie zijn zijn volgelingen? Een zorgvuldige schets leert dat de ‘kruisvaarder’ soms minder principieel en ideologisch is dan hij voorwendt te zijn.

Geert Wilders roept het diepste in de medemens op. Aanhangers dragen hem op handen als ware hij een Messias. Het is kennelijk nog steeds de hoogste tijd voor een man die Nederland teruggeeft aan zijn rechtmatige burgers. Nog steeds zaait hij zo verwarring. Critici zoeken daarom al jaren naar het doeltreffendste etiket om hem te categoriseren. Bij voorkeur in een historische context. Dat schept helderheid.

Negen jaar is Geert Wilders bezig met zijn eigen kruistocht. Maar de man achter deze man zelf is tot nu toe niet erg scherp geportretteerd. En als dat wel gebeurde, liep het vaak dood op de vraag of je hem al dan niet ‘fascist’, ‘radicaal rechts’, ‘populist’ of wat dan ook mag noemen. Geen vruchtbaar uitgangspunt, vond historicus Koen Vossen, die tien jaar geleden promoveerde op een dissertatie over de lotgevallen van de NSB, CPH en andere radicale anti-systeempartijen in het interbellum. In Rondom Wilders probeert Vossen een eigen terminologie te ontwikkelen. Hij doet dat op grond van een zorgvuldige schets van de man zelf, zijn vertrouwelingen, volgelingen en kiezers.

Vossen werkt in dit boek van binnen naar buiten. Hij volgt de zo methode van het ‘erklärende Verstehen’. Dat is een prima uitgangspunt. De PVV is immers een eenmansonderneming die eerst moet worden begrepen voordat ze kan worden beoordeeld.

Vossen wil alleen uitgaan van de feiten. Met die (open) deur valt hij op de eerste pagina’s in huis. En dan gaat het meteen ook een beetje mis. Bijvoorbeeld als hij, zonder zelf nog een feit te hebben gepresenteerd, andere auteurs over de PVV al verwijt ‘dwaalwegen’ te bewandelen. Hoe kunnen we de dwaalwegen herkennen als we de hoofdweg nog niet kennen?

Net als bijna alle andere Wilders-vorsers met wie hij in zijn boek polemiseert, neemt ook Vossen a priori positie in. Bijvoorbeeld door het gebruik van adjectieven en morele kwalificaties: zoals over het ondemocratische activisme tegen de Centrumpartij (de brandstichting in Kedichem noemt hij een ‘sinister dieptepunt’) of de boycot van Hans Janmaat (niet ‘fatsoenlijk’). Maar die bijvoeglijk naamwoorden laten onverlet dat Rondom Wilders daarna zeker de hoofdroute volgt: die van een accurate schets van de politieke Werdegang van de man die in 2003 begon met zijn ‘liberale jihad’ en daarna onverdroten doorging. Vossen presenteert geen nieuwe feiten. Hij baseert zich op openbare bronnen, ook omdat de hoofdpersoon nooit reageerde op zijn mailtjes.

Hij schetst desondanks wel een belangrijk en vermoedelijk essentieel aspect van het politieke denken van Wilders. De man is minder principieel en vooral minder ideologisch dan hij soms voorwendt te zijn. Wilders baseert zich op een aantal basale noties. Hij voelt zich echt een ‘kruisvaarder’ die Nederland wil redden uit de klauwen van het ‘islamofascisme’. Hij heeft waarlijk een hekel aan de lijntrekkersmentaliteit die over de verzorgingsstaat Nederland is vaardig geworden. Maar de accenten die Wilders vervolgens legt, worden vooral ingegeven door politieke opportuniteit, zo toont Vossen aan.

Amerikaans voorbeeld

In die zin was de breuk tussen de vage katholiek Wilders en de bevindelijk gereformeerde conservatief Bart Jan Spruyt in 2006 tekenend. Spruyt zag zich voorbestemd om de PVV naar Amerikaans voorbeeld ideologisch te funderen. Spruyt was in die tijd bijna een putschistische revolutionair die de gevestigde orde (‘MPP-complex’ van Majesteit en Politieke Partijen) van buiten wilde aanvallen. Spruyt schreef in 2005 zelfs een soort ideologisch strategisch draaiboek. Wilders, eigenlijk een parlementariër in hart en nieren voor wie het Binnenhof de navel van zijn wereld is, hield de handen liever wat vrij. Na het afscheid van Spruyt liet Wilders de afdeling ideologie over aan Martin Bosma, zijn kompaan van het eerste uur die ideologie vooral als een vorm van propaganda beschouwt en niet opziet tegen catch all eclecticisme. De vier speerpunten zijn: ‘strijd tegen de islam, strijd tegen de elite, nationale trots en strenger straffen ter bescherming van de natuurlijke orde’.

Het resultaat van het schisma met Spruyt was een drastische verbetering van Wilders’ electorale marketing. De basis (‘islamo-alarmisme’ en ‘tucht en orde’, zoals Vossen het noemt) werden aangevuld met een vorm van sociaal nationalisme. Anders dan indertijd bij de VVD stond Wilders niet meer op de bres voor het trimmen van de verzorgingsstaat, omdat die anders onhoudbaar zou worden. Nee, hij ging juist pleiten voor behoud daarvan, zij het exclusief voor ‘ons’ Nederlanders.

Bovendien ging hij zich afficheren als de tolk van het volk. De Tweede Kamer gebruikte hij allengs meer als bühne voor retoriek, niet als plek voor machtspolitiek. Geen Kamerfractie heeft zo vaak bij stemmingen alleen gestaan als die van Wilders. Zo wekt hij ‘de indruk dat de PVV namens de burger de zittende elites kritisch volgt’, aldus Vossen. Vossen schrijft het zelf niet, maar Wilders is volgens mij zo de exponent geworden van de benarde burgerij. Hij raakt aan het gemoed van die klasse die mede dankzij de uitdijende verzorgingsstaat in de jaren zestig en zeventig is geëmancipeerd tot consumptieve burgerij maar aanvoelt dat deze emancipatieroute voor haar (klein)kinderen is afgesloten. Hij begrijpt dat de globalisering van economie en cultuur voor deze burgerij geen wenkend perspectief is maar eerder een politieke bedreiging. De PVV representeert aldus de burgerlijke zijde van het hoefijzer, waar de SP de ambtelijke arbeideristische kant vertegenwoordigt.

Engere zin

De diepere oorzaken voor deze lucratieve positie in het gepolariseerde landschap analyseert Vossen alleen in engere zin. Hij redeneert immers vanuit de eenmanspartij. Zeker, hij ziet wegbereider Pim Fortuyn niet over het hoofd. Maar Vossen heeft te weinig oog voor de belangrijkste voedingsbodem voor Wilders’ beweging: de jaren negentig. De paradoxale opbrengst van het ‘vredesdividend’ uit dat eerste decennium na de Koude Oorlog wordt door Vossen niet op waarde geschat. In de jaren negentig dachten veel ‘winnaars’ van de veertig jaar durende strijd tussen democratie en communisme dat er nog maar één pool in de wereld zou zijn: die van de liberale markteconomie. De opheffing van het ideologisch denken werd vooral in sociaal-democratische kring gevierd als vooruitgang. Traditie en geschiedenis van historische gemeenschappen werden als folklore in het buitenluchtmuseum weggezet. Tegengeluiden, die opperden dat maatschappelijke tegenstellingen van alle tijden zijn, werden niet gehoord. Het waren de jaren waarin zelfs de sceptische paarse premier Kok zich liet koesteren in een ‘wave’ van apolitieke eensgezindheid. Dat laatste bleek niet waar, niet in de rest van de wereld noch in Nederland. In die jaren van positivisme is de maatschappelijke reactie geboren waarop Wilders nu al een decennium kapitaliseert.