De Buddha van Monte Verità

Bankier Eduard von der Heydt bracht een grote collectie etnografica en westerse kunst bijeen. Stukken daaruit sierden zijn huizen, en musea. Ook de nazi’s konden op zijn bank rekenen.

Bankier Eduard von der Heydt in Ascona, ca. 1930
Bankier Eduard von der Heydt in Ascona, ca. 1930 Privé-collectie

Als gefortuneerd bankier en vermaard kunstverzamelaar was Eduard von der Heydt het middelpunt van een internationaal netwerk. In zijn villa’s in Zandvoort, Berlijn en Ascona ontving hij tal van beroemde kunstenaars, zakenlieden en politici. Toch was hij, volgens een nieuwe biografie, vooral een bange man die, om zijn kunstcollectie te redden, financiële diensten verleende aan nazi-Duitsland.

Eduard von der Heydt (1882-1964) werd in Elberfeld bij Wuppertal geboren als zoon van de protestantse baron August von der Heydt. In menig opzicht trad hij in het voetspoor van zijn vader, want ook die was bankier en kunstverzamelaar. Beiden waren overtuigd monarchist, ook na Hitlers machtsovername. Maar Eduard ging zijn eigen weg. Na zijn universitaire promotie leerde hij het bankiersvak bij het Rothschild-concern in Amerika. Daarna verhuisde hij naar Londen waar hij met familiekapitaal een eigen bank begon.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde Von der Heydt zich in Duitsland om te vechten. Om medische redenen moest hij het slagveld spoedig verlaten. In Engeland was hij toen niet meer welkom. Zijn bank werd geconfisqueerd. Eduard vond emplooi op het Duitse gezantschap in Den Haag. Hij maakte er persoverzichten en was tegen het eind van de oorlog aanwezig bij het vredesoverleg.

Op 12 november 1918, de dag na de wapenstilstand, trouwde Eduard in Berlijn met de Joodse bankiersdochter Vera von Schwabach. Met hulp van zijn schoonvader kon hij een nieuwe bank oprichten, ditmaal in Amsterdam. Zijn huwelijk werd na negen jaar kinderloos ontbonden, waarschijnlijk vanwege zijn ‘changierende homophilie’.

De zaken gingen wél goed, want dankzij de hyperinflatie stalden veel Duitsers hun geld bij banken in het buitenland. Zo verdiende Von der Heydt genoeg voor de opbouw van zijn kunstcollectie. Behalve Europese kunst verzamelde hij ook etnografica uit Azië, Afrika en Mexico. In Amsterdam opende hij een museum voor Oost-Aziatische Kunst. In 1925 verhuisde Von der Heydt naar Zandvoort waar hij een villa annex museum-lunchroom (‘Muluru’) had laten bouwen. Het stond er vol met kunst uit alle windstreken. In de visie van Von der Heydt, die zich ontwikkelde tot taoïst, behoorden exotische godenbeelden en Europese impressionisten tot dezelfde ars una.

Duitse keizer

In zijn villa konden relaties uit heel Europa genieten van kunst en natuur. De naar Nederland gevluchte ex-keizer Wilhelm II en zijn zonen kwamen op bezoek. Omgekeerd was Von der Heydt te gast op het miniatuurhof van de balling in Doorn. Toen deze nog niet over zijn vermogen in Duitsland kon beschikken, leende Von der Heydt hem geld. Op de bruiloft in Doorn van Wilhelms kleinzoon Louis Ferdinand was ook de bankier present, net als kroonprinses Juliana en haar man Bernhard. De Zandvoortse villa werd in 1943, toen Von der Heydt al in Zwitserland woonde, afgebroken omdat daar de Atlantikwall werd gebouwd tegen een mogelijke invasie van de geallieerden.

Ruim 150 stukken uit de inventaris, waaronder Aziatisch textiel, werden aan het Rijksmuseum in Amsterdam geschonken. Het Haags Gemeentemuseum kreeg bruiklenen en schenkingen, zoals een schilderij van Willink en een neoclassicistisch interieur.

Von der Heydt begon al in de jaren twintig zijn kunstschatten in bruikleen te geven aan musea. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren 2.560 stukken verspreid over 69 locaties. Zoals hij aan zijn secretaresse schreef: ‘De hoofdzaak is alles zoveel mogelijk te verdelen omdat nergens echte zekerheid bestaat.’ Voor zijn bankennetwerk gold hetzelfde. Von der Heydt had zijn firma’s internationaal gespreid en had overal connecties.

Hoewel hij veel bleef reizen had hij vanaf 1926 zijn hoofdkwartier in Zwitserland, waar hij op het landgoed Monte Verità, ooit pelgrimsoord van wereldhervormers, een hotel in Bauhausstijl liet bouwen. Daar ontving hij opnieuw beroemde gasten. Ook Juliana en Bernhard hebben de ‘Buddha van Monte Verità’ bezocht, vermoedelijk in 1938.

Joodse gasten

Von der Heydt trad in 1933 toe tot de NSDAP en onderhield goede betrekkingen met Göring. Hoewel hij in Ascona veel Joodse gasten ontving, protesteerde hij in Berlijn, waar hij ook een huis had, niet tegen de Jodenvervolging. In 1938 werd hij uit de partij gezet omdat hij Zwitsers staatsburger was geworden, maar later wist hij die excommunicatie om te zetten in een ‘vrijwillige’ opzegging.

In de biografie door Eberhard Illner en drie co-auteurs, die elk een aspect van zijn leven behandelen, wordt het oorlogsverleden van Von der Heydt niet onkritisch, maar wel mild beschreven: hij was geen held en geen schurk, maar probeerde coûte que coûte zijn collectie veilig te stellen. Dat bracht hem ertoe een dubbelrol te spelen in transacties van de Duitse contraspionagedienst: via zijn bank werd geld overgemaakt naar nazispionnen in het buitenland en naar het ‘Putschfonds’ dat Duitse tegenstanders van Hitler opbouwden voor het geval een aanslag op de Führer zou slagen.

Na de oorlog werd Von der Heydt voor een Zwitserse militaire rechtbank gedaagd, maar hij hield vol dat hij de ware aard van de Duitse transacties niet kende. Het klonk ongeloofwaardig, maar toch werd hij vrijgesproken – een vonnis dat vaak is bekritiseerd. Misschien had men dieper gegraven als er geen belangen van Zwitserse banken en musea in het geding waren. Von der Heydts Aziatische kunstcollectie in de VS werd wel geconfisqueerd.

Hoewel zijn oorlogsverleden dus uitvoerig aan bod komt, ligt de nadruk van deze royaal geïllustreerde biografie op Von der Heydts betekenis als kunstverzamelaar. Liefhebbers kunnen zich daarvan overtuigen op de tentoonstelling ‘Von Buddha biss Picasso’ in het door de mecenas zelf gefinancierde Museum Rietberg in Zürich (tot 18/8). Behalve zijn etnografica worden daar ook zijn Europese kunstwerken uit het naar zijn familie genoemde museum in Wuppertal getoond.