De bisschop die trouw zwoer aan het moderne

Jan Bluyssen was een avant-gardistisch bisschop. Ook getrouwde mannen mochten van hem priester zijn. Hij botste dikwijls met Rome.

Bluyssen, december 2011
Bluyssen, december 2011 Foto ANP

In zijn memoires Gebroken Wit. Vrijmoedige herinneringen (1995) noemt oud-bisschop Jan Bluyssen van ’s-Hertogenbosch zijn aanwezigheid bij het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) het hoogtepunt van zijn leven. Het beraad in Rome van meer dan tweeduizend bisschoppen, onder voorzitterschap van paus Johannes XXIII, vond in vier zittingen plaats en had als doel de rooms-katholieke kerk te moderniseren.

„Die periode was zo indrukwekkend, zo boordevol bezieling!”, schrijft Bluyssen in zijn boek. „Daar was de aarde voelbaar met de hemel verbonden, daar inspireerde de Geest Gods de kerk tot nieuwe uitspraken, nieuwe bezieling en nieuwe hoop.”

Als piepjonge hulpbisschop van Den Bosch werkte Bluyssen, die gisteren op 87-jarige leeftijd is overleden, in Rome mee aan ingrijpende vernieuwingen van liturgie en inspraak binnen het autoritaire, soms bang makende wereldinstituut. Vóór het Concilie droeg een priester de heilige mis op in het Latijn en stond hij met de rug naar de gelovigen. Na het Concilie werd het altaar omgedraaid, werd de hostie niet meer in de mond maar op de hand uitgereikt. De kerkgangers zongen in het Nederlands, en experimenteerden met liederen en muziek.

Bluyssen, die in 1966 de bijzonder geliefde Rinus Bekkers opvolgde, maakte deel uit van het Nederlands episcopaat dat geleid door kardinaal Alfrink tot de avant-garde in de wereld uitgroeide. Het college oordeelde hardop dat getrouwde mannen tot het ambt van priester moesten worden toegelaten en dat priesters die niet meer konden leven met het celibaat, moesten kunnen trouwen.

Door dit soort opvattingen botsten Bluyssen en de zijnen met het Vaticaan. Uit Bluyssens memoires blijkt dat de wortel van de polarisatie tussen Rome en de progressieve Nederlandse kerkprovincie lag bij het Nederlands Pastoraal Concilie, een overlegorgaan van priesters en leken, die van 1966 tot 1970 samenkwamen. Bluyssen schreef dat het eindrapport van dat beraad „op diverse onderdelen zó gewaagd, zó brutaal van toon, zó radicaal en onverantwoord in zijn uitspraken [was] dat het wel verwarrend moest werken”. Toch stond de bisschop achter de grote lijnen.

1968 was een zwart jaar voor Bluyssen. Het Vaticaan riep hem drie keer tot de orde. Tweemaal ging het om het verlenen van vrijstelling van de celibaatsgelofte. De derde keer kreeg hij een terechtwijzing omdat hij een voormalige dominee tot priester had gewijd, zonder dat de betrokkene tevoren tot diaken was gewijd.

In 1980 riep paus Johannes Paulus II de Nederlandse bisschoppen naar Rome voor een bijzondere synode: door de verdeeldheid onder de bisschoppen was de kerkprovincie onbestuurbaar. Het Vaticaan dwong de bisschoppen, ook de vernieuwers, in een centrale machtsstructuur. Voor Bluyssen was dat een martelgang. Hij was ziek naar Rome gegaan, maar kwam nog zieker terug.

De Bossche bisschop trad in 1984 na 18 jaar af, met een zwak hart en zes bypasses.