Bank of England komt met het verkeerde medicijn

Mark Carney hoeft alleen maar in de spiegel te kijken om een goed voorbeeld van de Britse uitzonderingspositie te zien. De regering van geen enkele andere grote economie zou een buitenlander hebben benoemd als hoofd van de centrale bank. Maar in zijn eerste grote beleidstoespraak heeft de Canadese president van de Britse centrale bank, de Bank of England, weloverwogen een nóg relevantere nationale uitzondering genegeerd: het inflatiepercentage.

In plaats van na te denken over wat mogelijke verschillen zijn, heeft de Bank of England zich bekeerd tot conventionele overwegingen. Carney heeft de zogenoemde forward guidance, de jongste mode onder presidenten van centrale banken, in zijn nieuwe thuisland geïntroduceerd.

Deze techniek, die erop neerkomt dat je belooft de rente niet te verhogen totdat er iets gebeurt dat een hogere rente vereist, past niet goed bij Groot-Brittannië. Een hogere rente zou heel goed op dit moment al gerechtvaardigd kunnen zijn.

Terwijl de centralebankpresidenten in de eurozone en de Verenigde Staten, om maar te zwijgen van Japan, bezorgd zijn over de ongezond lage inflatiecijfers, heeft Carney te maken met een inflatie van bijna 3 procent, ruim boven de beoogde 2 procent.

Een ongemakkelijk hoge inflatie is bepaald geen nieuw probleem voor Groot-Brittannië. Ondanks een diepe recessie middenin het tienjarige bewind van Carneys voorganger Mervyn King zijn de prijzen jaarlijks met 2,7 procent gestegen.

De Federal Reserve, het Amerikaanse stelsel van centrale banken, en de Europese Centrale Bank mogen net zo slecht met financiële excessen zijn omgegaan als de Bank of England, zij hebben in elk geval een sterke staat van dienst als het om het prijsniveau gaat.

Een deel van het Britse inflatieprobleem kan worden herleid tot een zwakke munt en een grotere afhankelijkheid van importen – ongeveer 35 procent van het bruto binnenlands product in Groot-Brittannië en circa 20 procent van het bbp in de VS en de eurozone. King redeneerde de hogere Britse inflatie weg als iets dat afkomstig was van buiten.

Maar binnenlandse economische factoren kunnen minstens zo belangrijk zijn. De hogere kosten voor importen hebben niet geleid tot de binnenlandse productie van goedkopere alternatieven. Evenmin heeft de economische inzinking geleid tot een daling van de inflatie van 4 procent in de Britse dienstensector.

De inflatie is niet de enige economische graadmeter waarin Groot-Brittannië afwijkt. Het land heeft ook een hardnekkig zwakke handelsbalans en aanhoudend hoge begrotingstekorten.

Er zijn geen makkelijke oplossingen voor deze problemen. Maar de outsider Carney was geloofwaardiger geweest als hij de specifiek Britse eigenaardigheden had onderkend en had gezegd: „Groot-Brittannië heeft een probleem”.

Breakingviews is een dagelijks commentaar vanuit de City in Londen. Vertaling door Menno Grootveld.