‘Applaus voor het pantoffeldiertje’

Jan Paul Schutten schreef met Het raadsel van alles wat leeft een gezichtsbepalend kinderboek over de evolutie, met een ‘ik’ als verteller. Net als in zijn andere boeken speelt humor een grote rol. „Iets leuks blijft ook beter hangen.”

Jan Paul Schutten: ‘In wetenschappelijke boeken streep ik altijd de grappige dingen aan’
Jan Paul Schutten: ‘In wetenschappelijke boeken streep ik altijd de grappige dingen aan’ Foto Merlijn Doomernik

ij zag dat het goed was. Op 14 januari 2012 schreef Jan Paul Schutten ‘de beste 475 woorden uit zijn carrière’, zo liet hij diezelfde middag weten via Facebook en Twitter. Twee maanden had hij zitten prutsen aan het begin van een kinderboek over de evolutie; nu had hij iets dat werkte.

Hij plukt er nu de vruchten van. Het raadsel van alles wat leeft is een van de gezichtsbepalende kinderboeken van het jaar, én een onverwacht verkoopsucces. Met dank aan het enthousiaste boekhandelaarspanel in De wereld draait door prijkte het boek begin mei ineens hoog in de Bestseller 60; inmiddels zijn er tienduizend exemplaren verkocht. Voor een kinderboek is dat een zeldzaamheid, voor een non-fictiekinderboek bijna ongehoord. Al zijn er van Jij bent je brein, de in april verschenen kinderbewerking die Schutten maakte van Dick Swaabs hersenboek Wij zijn ons brein, ook al meer dan tienduizend verkocht, vertelt hij. Deze week verscheen nóg een boek van Schutten: Paarden, zwaarden en rare baarden, over sport in de Romeinse tijd, geschreven samen met historicus Fik Meijer.

Het raadsel is misschien wel het beste dat hij als schrijver te bieden heeft. „Dat vond ik toen, en nu nog”, zegt Jan Paul Schutten (1970), op een terras in Amsterdam-Zuid, om de hoek van zijn krappe bovenwoning. „Ik wist dat dit heel goed moest worden, want er bestaat op dit moment voor mij eigenlijk geen beter onderwerp. Ik voelde me een wielrenner in de Tour de France die wéét dat hij kan winnen, als hij zich maar volledig concentreert en alles goed doet.” Wat gaf de doorslag? „Ik schreef het woordje ‘ik’. Daarmee viel het op z’n plaats.”

De eerste tweeënzestig woorden van het boek luiden nu: ‘Laten we met zijn allen even applaudisseren voor het pantoffeldiertje! Voor wíé? Voor het pantoffeldiertje, een beestje dat nog kleiner is dan het puntje op deze i. Maar waar moeten we dan voor klappen? Waarom is dit diertje zo bijzonder? Het wezentje heeft een juichend applaus verdiend gewoon omdat het leeft. Dat is knapper dan je denkt. Ik zal je vertellen waarom.’

Jan Paul Schutten: „Non-fictie heeft meestal geen ‘ik’ nodig. De feiten zijn van zichzelf al bijzonder genoeg. In mijn boek Superslimme dieren kon ik bijvoorbeeld gewoon melden dat kuikentjes kunnen rekenen. Ik voelde wel dat ik nu een stap verder moest: er zouden passages komen waarin ik DNA moest uitleggen. De theorie achter de evolutie is saaie kost, ik wist dat ik kinderen daar doorheen zou moeten slepen. Ik had wel met spectaculaire feiten kunnen beginnen, maar daar had ik de taaie theorie niet mee gered.” Schutten voegde zijn eigen enthousiasme toe. Hij wijst het spektakel aan in iets wat weinig spectaculair lijkt, in het pantoffeldiertje. „Zo begin je een non-fictieboek niet, tenzij je misschien Bibi Dumon Tak heet.”

Met Bibi Dumon Tak, zijn partner, deelt hij huis, hond (ze hebben geen kinderen) én baan, want ook zij is kinderboekenschrijver met een voorliefde voor non-fictie. Samen zijn ze momenteel de bepalende gezichten van het genre – beiden wonnen ooit de Gouden Griffel: Schutten eerst, in 2008, voor zijn geschiedenisboek Kinderen van Amsterdam, Dumon Tak afgelopen jaar voor Winterdieren, met portretten van pooldieren.

Het verschil tussen hen zit inderdaad in de persoonlijke verbeelding, waaraan Dumon Tak zich vaker overgeeft. Zij schrijft bijna poëtisch, terwijl Schutten de man van de grappige, bizarre feitjes is. Aanvankelijk werd Dumon Tak benaderd om de kinder-Swaab te schrijven, maar – logische keuze – zij gaf die opdracht door. „Bibi is meer van de schoonheid”, zegt Schutten. „Zij zet de feiten om in schoonheid, ik zie de schoonheid in de feiten. De eerste ruzie die we ooit hadden ging over dat verschil. We waren op vakantie in San Francisco en zagen de volle maan. Bibi wilde genieten van dat prachtige uitzicht, terwijl in mijn hoofd het geweldige weetje opborrelde over waarom het twee keer per dag eb en vloed is – dat komt door de aantrekkingskracht van de maan en de middelpuntvliedende kracht. Wil je horen hoe dat zit? Nou, Bibi werd in elk geval woedend, ze wilde niet weer het gezever van de weetjesman aanhoren.

„Ik denk dan maar aan iemand als de wiskundige Marcus du Sautoy, die de schoonheid in de wiskunde ziet. Ziet hij een bloem, dan ziet hij wiskunde: in het aantal bloemblaadjes ziet hij getallen, en dat vindt hij net zo mooi als de Mona Lisa.” Zo werkt Schutten ook in zijn boeken: hij blaast het schijnbare stof van historische of wetenschappelijke onderwerpen af, om te tonen hoe interessant ze zijn. „Mijn boeken gaan over dingen waarvan je niet wist dat je ze wilde weten, zeg ik altijd. Daarom schrijf ik ook vrijwel geen non-fictie voor heel jonge lezers, want daarin kan ik bijna niets kwijt wat ik niet zelf al wist.”

Het raadsel van alles wat leeft is evenzeer de persoonlijke zoektocht van Schutten. „Het is helemaal mijn onderwerp: het gaat over dieren, het is lastige materie, het is een belangrijk onderwerp, er zit religie in, wat ik ook belangrijk vind. Ik ben gelovig opgevoed, en ben er in mijn leven vaak tegenaan gelopen dat de creationisten een veel leuker verhaal hadden. Stel je nou toch voor dat je werkelijk kon bewijzen dat er een schepping is geweest en dat de Bijbel helemaal waar is. Wie zijn feiten selectief kiest, zoals ze op creationistenwebsites vaak doen, kán helder betogen dat Intelligent Design de waarheid is.” Neem de bombardeerkever – een insect dat, als het zich bedreigd voelt, twee chemische stoffen mengt en dat als een kokendheet bommetje in de ogen van zijn belager spuit. „Elke aanpassing maakt dat die kever geen bestaansrecht meer heeft: hij zou zelf kunnen exploderen, of er is geen explosie. Hij lijkt zo perfect ontworpen dat hij de evolutietheorie lijkt te ondermijnen.” Maar, schrijft Schutten in Het raadsel, er zijn wél andere soorten kevers die ‘veel slechter bombarderen’ en alleen ‘wat schuimende smurrie’ spuiten. ‘En dat is al voldoende om een spin of vogel een bochtje om te laten lopen.’

Schutten zwoer op zijn dertiende het geloof af. Hij was opgegroeid in een „Trouw-NCRV-CDA-gezin, maar wel zo streng dat mijn broer op zondag niet naar het voetbal mocht”. Tegenwoordig schrijft hij de boeken die hij als kind had willen lezen. „Bij gebrek aan beter las ik non-fictie voor volwassenen. Over de oude Egyptenaren, over de Tweede Wereldoorlog, maar ik begreep er vaak niets van. Ik keek plaatjes en las de teksten met het woordenboek erbij.”

Fictie las hij minder. „Wel heel veel kinderboeken, maar vanaf de middelbare school hield dat op. In de eerste klas moesten we Ivoren wachters van Simon Vestdijk lezen, nee eigenlijk: tot op het bot ontleden. Als dát literatuur was, een puzzel van thema’s en motieven, wilde ik er niets mee te maken hebben. Het plezier kwam pas jaren later terug, toen ik, in een boekwinkel op zoek naar leuke non-fictie, stuitte op De Harm & Miepje Kurk story van Remco Campert. Een schot in de roos. Zo grappig, goed geschreven, pretentieloos.”

Ondertussen ontwikkelde hij wel schrijfambities, als jongen die zich in nieuwe gezelschappen ongemakkelijk voelde, die nooit het hoogste woord voerde en zich schrijvend veel beter uiten kon. „Als alle schrijvers zoals Vestdijk waren, dan viel er nog wel wat te halen in de literatuur, dacht ik.” Schrijven leerde hij van de copywriter van de Albert Heijn-advertenties. „De bloemkolen waren in de aanbieding en dan stond er een enorme lap tekst over bloemkolen in de krant. Fascinerend. Als dát werkte, dan moest die tekst wel zó goed geschreven zijn! Ik ging het uitpluizen en ontdekte dat een zin geen persoonsvorm en onderwerp hoefde te hebben. Dat hij ook uit een paar woorden kon bestaan, dat het gaat om de cadans tussen kort en lang. De eerste zin kon een woord zijn: ‘Natuurlijk’, bijvoorbeeld. ‘Natuurlijk. Iedereen houdt van bloemkool’ – en dan een langere zin. Zo ontdekte ik ook hoe Campert zo sprankelend kon schrijven, en Kees van Kooten. Niet toevallig: die laatste was ook reclameschrijver geweest.”

Na zijn studie communicatie werd Schutten ook reclameschrijver, bij een bureau met een uitgeverijtje eraan vast. „Mijn eerste boeken gerelateerde opdracht was een vertaling van een boek dat Bluff Your Way in Sex heette. Ik beschouwde het als een vorm van aemulatio, want ik had er veel meer grappen in gestopt.” In de reclame leerde hij hoe hij een boodschap aan de man moest brengen. De opzet van zijn boeken getuigt daar nog van. Jij bent je brein heeft de vorm van een e-mailwisseling tussen twee nieuwsgierige kinderen en ‘professor D.F. Swaab’. „Dick kreeg geregeld zulke mailtjes: ‘Kunt u mij voor mijn spreekbeurt vertellen hoe het brein werkt?’ Dat werd de rode draad en de manier om de hoofdstukken in hapklare brokken te verdelen.” Paarden, zwaarden en rare baarden is een ‘tijdschrift’, waarin de informatie verpakt is in ooggetuigenreportages over de eerste Olympische Spelen, vraag-antwoord-interviews met gladiatoren en wagenrenners, columns van ‘de komiek Juvenalis’. De verschillende gladiatorentypes worden gepresenteerd in een advertentie van ‘actiefiguren’ van gladiatoren (‘Spaar ze allemaal!’). Fik Meijer schreef hoofdstukken als ‘onze historicus’, Schutten bewerkte ze.

,,Ik ben nergens expert in, ik ben geen bioloog of neuroloog of historicus, ik ben altijd afhankelijk van kennis van anderen. Maar het is mijn vak om de informatie aantrekkelijk te verpakken. Voordat we de tijdschriftvorm hadden, dreigde het boek met Fik verbrokkelde informatie te worden, zonder rode draad. Die boekenserie ‘voor Dummies’ heeft dat: veel weetjes, maar er blijft niets hangen. Samenhang is het belangrijkst. Meteen daarna komt humor. Want iets leuks blijft ook beter hangen. In wetenschappelijke boeken streep ik altijd de grappige dingen aan.

„Leuk betekent niet simpel. Ik heb lang de stelling van Hemingway aangehangen: hoe korter, hoe beter, en je kunt alles in zes woorden samenvatten. Van Stephen Fry leerde ik precies het omgekeerde. Als hij iets in 11 of in 11.000 woorden kon vertellen, prefereerde hij 11.000, want die geven veel meer plezier. Dat zie je in m’n passage over het pantoffeldiertje. Die is ontzettend opgerekt, vol herhalingen, maar dat zorgt wél dat je erin zit. Dat maakt het lezen leuk. De evolutie kon ik niet beter uitleggen dan Bas Haring in Kaas en de evolutietheorie, maar ik wilde méér vertellen. Over hoe het zit met die bombardeerkever. Over het allereerste leven, hoe uit iets doods iets levends kon ontstaan.

‘Mijn non-fictie is voor kinderen, maar niet kinderachtig. Dat ligt aan de zwaarte van de onderwerpen. Andere kinderboeken over de evolutie zouden misschien de koolstofdatering, uraniumverval en DNA weglaten – daarmee zou het wel héél ingewikkeld worden. Ik heb alles erin gezet, tot het moment dat ik het zelf niet meer begreep en ook de wetenschap vaag wordt. Ik wantrouw het een beetje als ingewikkelde dingen ook ingewikkeld verteld worden – dan snap je misschien niet helemaal hoe het zit. De redacteur die mijn eerste kinderboek begeleidde kon aan zinsconstructies zien waar het inhoudelijk rammelde. De relativiteitstheorie heb ik een keer beschreven in een tekstje op het niveau van beginnende lezers – dat lukte. Schrödingers kat is een heldere metafoor voor de kwantummechanica, maar veel verder kom ik niet. Dus dan stop ik.”

In zo’n geval, bijvoorbeeld wanneer hij in Het raadsel schrijft over het ontstaan van RNA [het boodschappermolecuul dat de verbinding vormt tussen DNA en eiwit] bedenkt Schutten een metafoor die aangeeft dát het onbevattelijk is: ‘Het is een beetje alsof je miljarden pakken lettervermicelli in de oceaan kiepert en net zolang wacht tot er spontaan allerlei songteksten van Justin Bieber op het strand aanspoelen.’ Of in Jij bent je brein, als uitgelegd wordt dat religieuze ervaringen op dezelfde plek in de hersenen ontstaan als epileptische aanvallen en drugshallucinaties – daarom lijken die soms op goddelijke ervaringen. En bij kinderen die niet gelovig zijn dan, wat zien zij? „Ik vroeg het Dick Swaab en die grapte: ‘Bob de Bouwer misschien?’ Dat staat zo in het boek – hij bedacht het, maar dacht er niet aan dat dat leuk zou zijn voor in het boek.

„Het is de kunst om het goede voorbeeld of de goede metafoor te vinden. Het beste wat je met mijn soort boeken kunt bereiken is een zwaar, moeilijk onderwerp zo toegankelijk mogelijk maken. Zodat kinderen er juichend mee weglopen. Mooier kan niet.”

Jan Paul Schutten & Floor Rieder: Het raadsel van alles wat leeft en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel. Gottmer, 160 blz. € 19,95. 11+ Dick Swaab en Jan Paul Schutten: Jij bent je brein. Atlas Contact, 217 blz. € 19,95. 10+ Fik Meijer & Jan Paul Schutten: Paarden, zwaarden en rare baarden. Ill. Eric Heuvel. Athenaeum / Querido, 139 blz. € 12,50. 10+