Mandala’s, oorbellen en maïs

Serie over 7 dames en een man die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

De dames zitten weer op te scheppen tegen elkaar, dat doen ze nog steeds graag. „Ik heb in Indonesië gewoond”, zegt Glims, „daarom hebben mijn kinderen gezorgd dat ik hier kwam wonen, ik had daar ook bediendes, vandaar.”

„Mijn vader is in de oorlog drie keer getorpedeerd”, brengt mijn moeder in.

„Was dat in Indonesië? Kan ik me niet voorstellen.”

„Nee dat was in Zuid-Amerika.”

„Ahaa, dat dacht ik al. In Indonesië deden ze dat soort dingen niet.”

Mevrouw Map komt in slow motion binnenzetten, op haar rollator prijkt, trots met plakband vastgemaakt, een ingekleurde mandala van de knutselles.

„Prachtig”, zucht mevrouw Wormerveer, „zelf gemaakt?”

„Ja, we waren allemaal artistiek thuis.”

„Wij niet”, zegt Glims. „In Indonesië was het te warm voor die dingen.”

„Je kon toch onder een ventilator zitten kleuren!”, werpt mijn moeder tegen.

„Indonesië was zo interessant van zichzelf, je hoefde dat soort malle dingen niet te doen om je dag door te komen.”

„Wij hebben ook in Indonesië gewoond, ik vond er niks aan”, bromt Map. Ze laat zich in vertraging in een stoel zakken. „Mijn moeder”, gaat ze verder, „heeft zich daar doodgegeten, uit verveling!”

De buurvrouw van de aanpalende woongemeenschap komt binnen. Ze heeft een plooirok aan met vleeskleurige kniekousjes eronder en is zoals gewoonlijk behangen met goud. „Ik heb mijn haar in vlechtjes”, zegt ze onzeker, „kan je mijn nieuwe gouden oorbellen goed zien.”

„Toe maar”, zegt Annie, „in Den Haag zouden ze zeggen: je kan beter met je kop in een kluis gaan hangen.”

„Ik was gisteren jarig”, vertelt de vrouw, „iedereen was er.”

„Wat zegt u?”, vraagt Wormerveer, „komt u ook uit Indonesië?”

„Zuster”, zegt Map dwingend tegen mij, „ze heeft geen kousen aan.”

„Ze heeft wel kousen aan”, zeg ik, „alleen tot op de knie, vanwege het warme weer.” „Nee hoor”, zegt Map, „voel maar.” Ze duwt mijn hand op de blote knie van het feestvarken. „Het is geen gezicht!”, voegt ze er afkeurend aan toe.

Mijn moeder staat op en zegt: „Het was gezellig, maar we moeten nu echt gaan.”

„Dat is waar”, zeg ik, „mevrouw Glims gaat u ook mee, een eindje wandelen in het park?” Mijn moeder is iedereen al een hand aan het geven. „Bedankt voor de gezelligheid en tot de volgende keer.”

In de gang zetten we mijn moeder in een rolstoel, Glims wil zelf lopen, met haar rollator. Haar benen zijn zo vergroeid dat ik niet begrijp dat ze het nog kan, maar ze doet niets liever, ze springt zo nu en dan zelfs als een klein enthousiast meisje.

„Sommige mensen”, zegt Glims bij de vijver in het park, „bewaren hun boterham en geven ze aan die dikke zwemvogels daar, hoe heten ze ook weer?”

„Eenden.”

„Juist ja, en die grote dikkerd daar?”

„Een duif.”

„O ja, vroeger had ik ze ook in mijn tuin en dan had ik een zak met van die korrels. Hoe heet het ook weer?”

„Vogelzaad?”

„Nee, het waren van die grote korrels.”

„O”, zegt Annie, „u bedoelt maïs.”

„Daar heb ik wel over gehoord”, zegt Glims bedachtzaam, „maar dat heb ik nooit aangedurfd.”

Mijn moeder snuift en wisselt een blik met mij, zo van: „Die is gek!”

„Ik dacht”, begint mijn moeder.

„Ja, wat dacht je mam?”

„Nou”, zegt ze met een knikbeweging naar de wielen van haar rolstoel. „Dat je deze fiets beter voor sluitingstijd terug naar de fietsenmaker kan brengen, anders moeten we dubbel betalen.”