Na de kruistochten de goede doelen

Nederland kent drie oude ridderordes die geld uitdelen aan minderbedeelden. De rijkste zetelt in Utrecht. Jan Reint de Vos van Steenwijk, tachtigste landcommandeur van de Duitsche Orde Balije van Utrecht: „Wij zijn geboren in een wieg met geld, ja. Doe er dan ook wat mee.”

De wenteltrap van het Duitsche Huis van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht is glanzend geboend. Boven klakt de hardhouten vloer zachtjes onder de schoenen. Door het glas-in-lood werpt zonlicht felle kleuren in de hal. De vergaderzaal van de ridderorde is groot. Een lange tafel. In de rugleuning van de stoelen staan het wapen van de orde gegraveerd; een zwart kruis op een wit veld. Aan de wanden panelen met de portretten van de Landcommandeurs, door de eeuwen heen, vanaf 1231. Het ruikt er als in een keizerlijk paleis dat is verbouwd tot museum.

Vanuit dit huis wordt het liefdadigheidsfonds van de Orde aangestuurd. Het honoreert jaarlijks circa vijfhonderd aanvragen voor allerlei goede doelen. De Orde is een ‘middelgrote speler’ in goede doelenland. De overheid treedt steeds verder terug, signaleert de orde, ook op het gebied van sociale zorg. Bovendien krijgen goede doelen de afgelopen jaren minder giften. Er valt, kortom, een gat in de sociale zorg. Dat proberen de ridders gedeeltelijk te dichten, vertelt landcommandeur Jan Reint de Vos van Steenwijk: „In de huidige samenleving achterover leunen en niks doen, dat is niet goed.”

Het Duitsche Huis ligt middenin het centrum van Utrecht, onzichtbaar achter een hoge bakstenen muur met een houten toegangspoort. Het gesprek met landcommandeur De Vos van Steenwijk vindt plaats in een kantoor op de eerste verdieping. Sober ingericht, koffie uit een kan. Dit gesprek mag niet te veel over geld gaan, heeft de landcommandeur al aangekondigd. Niet over bedragen. De Duitsche Orde laat zich niet graag voorstaan op haar vermogen. Wel wil de Orde met de tijd meegaan, en heeft daarom ingestemd met een gesprek. De Vos van Steenwijk: „Een interview als dit was tot voor kort minder gebruikelijk. We opereren in stilte, maar openheid en transparantie passen bij de rol die de Orde in de huidige samenleving wil spelen. We zijn trots op wat we doen, maar pochen er niet mee.”

De Orde bestaat sinds 1190, De Vos van Steenwijk is de tachtigste landcommandeur. Een geschiedenis van kruistochten om het christelijk geloof te verspreiden, de overstap naar het protestantisme tijdens de Reformatie, bedreigd door Napoleon. De laatste eeuw heeft de orde zich ontwikkeld tot charitatief vermogensfonds. Sinds 1231 zetelt de Nederlandse tak van de RDO in Utrecht. Een exclusief gezelschap van adellijke heren, hoewel het ledenbeleid in 2006 is versoepeld. In jargon: ‘De adelseisen zijn verlicht.’

Voor 2006 moesten zowel moeder als vader van oude Nederlandse adel zijn. Oude adel, dat betekent van vóór Napoleon. Nu hoeft alleen vader nog van oude adel te zijn. Moeder moet ook adellijk bloed hebben, maar hoe oud dat is, maakt niet meer uit. Theoretisch bestaat de Orde uit 13 leden: de landcommandeur, hoogste in rang, met daaronder twaalf commandeurs. Daarnaast zijn er nog twaalf ridders, die zich ‘verbondenen’ mogen noemen. De Vos van Steenwijk: „Iedereen die lid is, moet zich zeer verbonden voelen met onze uitgangspunten en ons werk. Wij zijn geboren in een wieg met geld, ja. Doe er dan ook wat mee.”

Daarop worden de leden mede geselecteerd. De Orde is een liefdadigheidsfonds en honoreert jaarlijks ongeveer vijfhonderd aanvragen voor allerlei goede doelen. Van oudsher is het werk gericht op „individuele noden”. De Vos van Steenwijk: „Mensen die van generatie op generatie geen kans krijgen. Wij noemen dat de vierde wereld. De doelstelling luidt; het verlenen van hulp aan zieken, gewonden en anderszins hulpbehoevenden.”

Nederland kent nog twee ridderlijke ordes, de Maltezer Orde en de Johanniter Orde. Zij zetten zich in als vrijwilligersorganisaties die liefdadigheidsprojecten ondersteunen. Het gaat om de Nederlandse afdelingen van respectievelijk de Tempeliers en Johanniters, in 1911 en 1909 opgericht. Zij vinden hun oorsprong in de eerste kruistocht van 1095. Er zijn vormen van samenwerking met de RDO. Er is echter geen ridderlijke orde met zo veel vermogen als de Balije van Utrecht. Tijdens de Reformatie, die in de zestiende eeuw over Noord-West Europa trok bekeerde de Orde zich tot het reformatorische geloof, waardoor de oorspronkelijk katholieke bezittingen van de RDO gespaard bleven voor confiscatie. „Meegaan met de tijd” noemt de landcommandeur het nu. De RDO behield het grootste deel van haar bezittingen.

In tegenstelling tot fondsen die afhankelijk zijn van giften, heeft de RDO een redelijk vast vermogen. Als gezegd, bedragen noemt de landcommandeur niet, maar de Orde bezit bijvoorbeeld meer dan 1.000 hectare aan landerijen. De Vos van Steenwijk: „We hebben beweegruimte. Als het ons minder gaat, hoeven de mensen die we willen helpen dat niet te merken. Wel moeten wij ons kapitaal in stand houden, om zo lang mogelijk hulp te kunnen bieden.”

De economische tijden hebben „de strategie” veranderd. De laatste jaren wordt steeds meer samenwerking gezocht met andere fondsen, organisaties en overheden, zoals de Stichting Noodhulp Utrecht, reclasseringsprojecten, voedselbanken en opvanglocaties voor zwerfjongeren. Erkende organisaties dienen een aanvraag in bij de Orde, die dan in een vergadering bepaalt hoeveel geld iedere aanvrager toegewezen krijgt. De Vos van Steenwijk: „Nog meer dan voorheen worden we financier voor projecten. We betalen aan organisaties die coördineren, zodat het geld beter terechtkomt. Het helpt om middelen zo effectief mogelijk in te zetten.” Bovendien heeft de Orde het verzorgingsgebied beperkt. Alleen in de veertien gebieden – commanderijen – waar de Orde van oudsher bezittingen heeft, wordt nog hulp gegeven. Naast Utrecht zijn dat onder meer Middelburg, Schoonhoven, Maasland, Rhenen, Tiel, Ootmarsum. De Vos van Steenwijk: „We moeten keuzes maken. De hele wereld helpen kan niet. Door concentratie wordt de Orde zichtbaarder.”

Het doel blijft altijd hetzelfde. Zorgen dat de samenleving „zo goed mogelijk in elkaar zit”. De „uitzichtloosheid van het bestaan van de doelgroep” verminderen. De landcommandeur noemt het voorbeeld van gezinnen waar verslaving van generatie op generatie voor problemen zorgt. Zelf komt de landcommandeur uit een heel ander gezin. Oude adel, over geld geen zorgen. Vreemde paradox? De Vos van Steenwijk: „In het geheel niet. Van oudsher is dit een organisatie van mensen die het goed hebben. Hiermee kunnen we iets teruggeven. Het is een illusie om te denken dat iedereen gelijk is, maar wij hebben de mogelijkheid mensen een kans te geven. We kloppen ons niet op de borst over ethiek, normen en waarden. We helpen gewoon, en dat doen we met ons geld.”