Ik schrijf poëzie om mezelf te verbeteren

kreeg jubelende recensies voor haar debuut als dichter. „De gedachte dat de dingen betekenisloos zijn, maakt dat we voluit leven.”

Verslaggever

Geluk, leerde Kira Wuck van haar vader, heb je in eigen hand. Je bent zelf verantwoordelijk voor een leuk leven.

Wat Wuck (34) gelukkig maakt, is dichten.

Ze ‘evoceert in drie regels een universum’, schreef Ilja Leonard Pfeiffer in nrc.next. Arnon Grunberg leest haar graag voor het slapengaan, schreef hij in de Volkskrant. Er waren talrijke jubelende recensies over haar debuut Finse meisjes. Nog geen jaar later ligt de vierde druk in de winkel – bijzonder, voor een poëziebundel.

Als kind was ze bang voor „vreemde mensen”. Nu inspireren ze haar juist. Vooral de mensen die sociaal onhandig zijn. En ja, voor een deel zit die onhandigheid ook in haarzelf. Minder erg dan vroeger, maar nog steeds weet ze niet altijd wat er van haar wordt verwacht. Is ze soms bang dat er te veel op haar gelet wordt – ook al is dat niet zo.

Schrijven is voor haar, net als fotograferen: een filter plaatsen tussen haarzelf en de werkelijkheid. „Soms is het fijner van een afstand naar anderen te kijken dan erin mee te gaan.”

Kira Wuck praat zacht en bedachtzaam. Haar vingers wrijven onophoudelijk over het tafelblad. Slanke vingers, korte nagels. Haar ogen vinden evenmin rust. Ze kijkt naar links, naar rechts, omlaag.

Dat ze ruim een half uur te laat is, komt doordat ze haar fietssleutel kwijt was. Ze zocht er de hele ochtend naar, en ze zocht nog steeds op het moment dat ze eigenlijk al in een Amsterdams grand café had moeten zijn. Toen realiseerde ze zich dat ze beter eerder met zoeken had kunnen stoppen om de tram te nemen.

In haar anarchistische opvoeding bestonden vaste tijden niet. „Er was niet veel regelmaat.”

Dit is haar vader:

In de tram rijden we zwart

bij elke halte kijk ik of ik blauwe mannen zie

en repeteer de regels van ons spel

(Uit: ‘Mijn ouders zijn goed in ontvreemden’)

Wucks vader leerde haar hoe je moest zwartrijden in de tram. Hij zorgde dat hij het adres van een vage kennis uit het hoofd kon opdreunen – „iemand die we kennelijk niet mochten” – om op te geven als ze gecontroleerd werden. Superspannend, herinnert ze zich. „Mijn vader maakte zijn eigen regels.”

En dit is haar moeder:

Mijn moeder is verliefd op mijn logopedist

ze komt het huis niet uit, behalve voor mijn spraaklessen

op mijn verjaardag drinkt ze andere moeders onder tafel

daarna begint haar danssolo, benen hoog in de lucht

(Ook uit: ‘Mijn ouders zijn goed in ontvreemden’)

Wucks moeder verruilde als 17-jarige hippie Helsinki voor Amsterdam. Toen ze op haar 21ste zwanger raakte van Kira sprak de Finse sociologiestudente al vloeiend Nederlands. De relatie van haar ouders was explosief. „Dat gaat twee kanten op, denk ik”, zegt Wuck. Goed én niet goed. „Mijn jeugd was onvoorspelbaar, maar fijn. Op vakanties wisten we vaak niet waar we zouden slapen. Dat kon soms ook op het strand zijn.”

Ze was elf jaar toen haar moeder stierf, ze was alcoholist. Vijf jaar later overleed haar vader aan kanker.

Vanaf het moment dat Wuck op de Schrijversvakschool zat, wist ze dat ze „een zekere aanleg voor schrijven” had en dat ze ermee moest doorgaan. Maar: „Daarna gaat er nog veel tijd overheen voordat je publiceert, voordat je goed genoeg bent.”

En nu ben je, behalve met een tweede poëziebundel, ook met proza bezig.

„Eerder was ik daar nog niet aan toe. Ik weet dat ik kan dichten. Maar over mijn verhalen ben ik onzekerder. Faalangstig.”

Vanwaar die faalangst?

„Ik leg de lat heel hoog. Het moet niet half goed zijn. Voordat ik publiceer, moet ik zeker weten dat ik niet beter kan dan dat. Zo heb ik ook aan mijn dichtbundel gewerkt. Het is een manier om mezelf te verbeteren.

„Poëzie is heel compact. De kracht van een goed gedicht is dat er alleen staat wat er moet staan. Dichten gaat heel organisch. Elke dag wijzig ik een paar dingen. Het heeft iets meditatiefs om zo lang op één kort stukje gefocust te zijn. Bij proza kun je veel langer uitweiden, is het verteltempo een stuk trager. Dat vind ik moeilijker.”

Net als in haar poëzie laat Wuck zich ook in haar proza inspireren door mensen die niet opvallen. Mensen die sociale vaardigheden missen en weinig initiatief nemen. Zo werkt ze nu aan een verhaal over een 30-jarige caissière in een warenhuis. Ze is nog maagd. Als ze verliefd wordt op een van de beveiligers van het warenhuis gaat ze de beveiligingscamera’s gebruiken om met hem te communiceren. Het begint met een beetje flirten en lachen, maar ze gaat steeds een stapje verder. Of hij het ziet, weet ze niet. Maar toch voelt ze zich steeds beter, want ze voelt zich nu in ieder geval gezien.

Het is gevaarlijk jezelf te vergelijken met grote schrijvers, zegt Wuck, maar ze leest graag het werk van Michel Houellebecq, van Arnon Grunberg, en haar lievelingsboek De vreemdeling van Albert Camus. „Hun thematiek spreekt me aan”, zegt ze, „alle drie schrijven ze vaak over personages die niet bijzonder veel plezier in het leven lijken te hebben. Ze handelen op een manier die hun het beste lijkt, maar brengen zichzelf daardoor in de problemen, of doen dingen die verwerpelijk voor anderen zijn. De centrale vraag in hun boeken luidt: is het belangrijk de tijd die voorafgaat aan je dood te vullen met zinvolle dingen, of maakt het niets uit wat je doet?”

Hoe zie je dat zelf?

Aarzelend: „Ik vind het leven zowel zinloos als zinvol. Misschien willen we te veel betekenis in dingen leggen terwijl die betekenis er niet is. Aan de andere kant: juist de gedachte dat de dingen betekenisloos zijn, maakt dat we voluit leven.

„Ik werk aan een fotoserie die ‘Heeft het zin?’ heet. Daarvoor fotografeer ik vrouwen die achter gokkasten staan in Finse supermarkten, en mensen die uit het raam staren. Ik kijk graag naar wat mensen met hun tijd doen.”

Ze denkt even na en zegt dan: „Ik probeer het leven niet te serieus te nemen, mijn schrijven uitgezonderd.”

En je relatie dan, bijvoorbeeld?

„Schrijven is nummer één. Daarmee zal ik nooit stoppen. Dat móét goed gaan. Verder probeer ik gewoon veel plezier te maken. Ga ik graag naar onbekende plekken, op reis, alleen of met mijn vriend.”

Hoe voelt het als iemand die jij bewondert, Arnon Grunberg, jouw werk roemt op de voorpagina van de Volkskrant?

„Ik hoef niet bewonderd te worden. Maar zo’n stukje geeft me wel een paar goeie weken. Ik schrijf om gelezen te worden, het is fijn als mensen iets kunnen met mijn gedichten.”

    • Kira Wuck
    • Anne Dohmen