In Carnegies hemelbed

Filantroop Andrew Carnegie bouwde overal ter wereld huizen en kastelen. Ivo Weyel laat zich in het Schotse Skibo Castle wekken door een doedelzak.

Skibo Castle

Nadat de imposante hekken elektrisch zijn geopend is het nog een eindje rijden naar het huis. Er moet zo’n tien minuten oprijlaan worden afgelegd in de Landrover. Maar dan heb je ook wat: een imposant kasteel met torens en kantelen, bordessen met pilaren, metershoge glas-in-loodramen waarop wapenschilden en woedend kijkende Vikingen en jachttaferelen met hijgende herten. Het oogt middeleeuws en houdt het midden tussen de woonstee van graaf Dracula, de Addams Family en het kasteel van Disney’s Doornroosje. Maar Skibo Castle is niet middeleeuws, het is gebouwd tussen 1899 en 1902, in de neostijl die in die jaren in zwang was bij de rijken. En rijk was de opdrachtgever, Andrew Carnegie (spreek uit Car-nee-gie, met de klemtoon op nee), schatrijk zelfs, op enig moment de rijkste man ter wereld. Hij bouwde het huis aan het eind van zijn leven (1835-1919), toen hij zijn moede hoofd te rusten wilde leggen in zijn geboorteland Schotland, nadat hij in Amerika fortuin had gemaakt in staal, spoorwegen, olie en banken, en zowat de hele wereld van zijn immense vermogen had laten meegenieten. Hier wilde hij alleen nog een potje jagen, een hengeltje werpen, een golfballetje slaan en vrienden op de thee noden (en wat voor vrienden: Rudyard Kipling, koning Edward VII, de Rockefellers, Lloyd George). En af en toe schreef hij nog een liefdadigheidscheque uit, waaronder een van een miljoen pond voor de bouw van het Vredespaleis in Den Haag, dat dit jaar zijn honderdjarig bestaan viert. Hier wilde hij alleen nog maar alleen zijn met zijn vrouw en piepjonge dochter (anno 1897), al was ‘alleen’ met ruim 130 man personeel een relatief begrip.

Als de Landrover stopt, stroomt het huidige personeel in groten getale toe, hun kilts wapperend in de wind. De een opent de toegangspoort, een ander draagt de bagage, een derde biedt een welkomstdrankje aan op een zilveren blad, een vierde schudt mijn hand, een vijfde opent de kasteeldeur, een zesde knikt alleen maar en nummer zeven tot tien staan keurig in het gelid, als decor. Ik wacht tot iemand me naar binnen draagt, maar dat zit er niet in.

Skibo Castle is sinds 2004 eigendom van The Carnegie Club, een exclusieve privéclub met 400 leden (28.000 euro inleggeld, 9.350 euro lidmaatschap per jaar en daarbovenop 1.160 euro per nacht, mits u door de ballotage komt. Maar een nachtje proefslapen behoort voor serieuze aspirant-leden ook tot de mogelijkheden). Gasten genieten hier van ongekende luxe, eindeloze jacht- en golfvelden, feesten en partijen, uitbundige afternoon teas en indrukwekkende slaapvertrekken. Het mijne was de slaapkamer van Andrew zelf, met de originele badkamer nog intact, zijn bureau voor het raam en een hemelbed zo hoog dat er een trapje naast staat om er in te klimmen. Amper anderhalve meter groot, had Andrew die paar treetjes meer dan nodig.

Onsterfelijk

Carnegie was de zoon van berooide ouders die van hun laatste spaargeld in 1848 naar Amerika vertrokken om hun geluk te zoeken. Rijk werden ze niet. Zoon Andrew – zonder enige scholing of opleiding – lukte dat wel. Hij maakte zich onsterfelijk met zijn geniale zakeninstinct maar nog meer met zijn vrijgevigheid. Zijn definitie van filantropie (opgeschreven in het manifest Wealth uit 1889), geldt nog steeds als controversieel: Carnegie pleitte voor huizenhoge successierechten („The man who dies rich, dies disgraced”: wie rijkt sterft, sterft eerloos), en voor aandelenparticipatie in plaats van hoge lonen voor werknemers, opdat ze meer hart voor de zaak hebben en dus harder werken. Filantropie, meende hij, moest vooral worden ingezet voor verheffende instellingen. Hij voegde de daad bij het woord, stichtte meer dan 2500 bibliotheken in twaalf landen (tot aan de Seychellen toe), opende tientallen musea, wetenschappelijke instituten, universiteiten, vredesinstellingen, concert- en muziekhallen (waaronder de vermaarde Carnegie Hall in New York). Opmerkelijk is dat, na al die jaren, er nog heel veel van bestaan. Zo heeft Pittsburgh, waar hij lange tijd woonde, maar liefst vier Carnegie-musea, waaronder het huidige Andy Warhol Museum.

Zijn enorme vrijgevigheid weerhield hem er niet van voor zichzelf huizen als kastelen te bouwen. Hij vond ook dat rijke mensen het aan de gemeenschap verplicht waren paleizen te bouwen: dat moesten tempels van kunst en cultuur worden. Men moest er zoveel mogelijk vooraanstaande lieden op alle gebied laten samenkomen, om gezamenlijk de wereld te verbeteren. Veel van zijn enorme huizen schonk hij aan de desbetreffende stad als hij weer eens verhuisde. Zo is het huidige Cooper-Hewitt designmuseum gevestigd in zijn New Yorkse stadspaleis op Fifth Avenue, en is een van de voormalige zomerverblijven van de familie op Cumberland Island, Georgia, nu een museum annex hotel.

Doedelzak

’s Morgens klokslag acht uur word ik gewekt door een doedelzak. Zo wenste Andrew gewekt te worden op Skibo Castle. Dus zo gebeurt dat nog steeds. Ik gluur naar buiten en zie de herrieschopper (met kilt) over het terras lopen. „Tradition is everything”, zegt Peter Crome, voormalig directeur van het fameuze Londense Savoy Hotel en nu voorzitter van The Carnegie Club. Vandaar dat tijdens het ontbijt het orgel in de Great Hall wordt bespeeld, ook dat gebeurde in Carnegies dagen. De CEO van Nokia, de krant lezend aan een naburige tafel, wil zijn eitje graag zachtgekookt. Buiten op het gazon traint een valkenier zijn vogels. Op de oprijlaan is Martin, de opzichter, druk doende hengels in de Landrover te laden, ik ga deze ochtend zalm vissen. Dan een massage, misschien een rondje zwemmen of paardrijden (Anky van Grunsven logeerde hier ook), vervolgens ‘loads of whiskey’ drinken (Crome’s aanbeveling) en een hapje eten. De butler komt al tijdens het ontbijt vragen of ik West Coast Scallops with Roasted Cauliflower and Golden Raisins zie zitten voor het diner. In het gastenboek lees ik de namen van beroemde filmsterren en politici, maar ook die van zestig Nederlandse leden, zoals als Struik (‘’t Is Struik wat ik gebruik!’), De Rijcke (Kruidvat) en die van Nederlands bekendste textielfamilie, al wordt mij uitdrukkelijk gevraagd die naam niet te publiceren.

Skibo Castle is – op de overheid na – de grootste werkgever van Noord-Schotland. En men doneert jaarlijks met gulle hand voor de instandhouding van de omliggende natuur, met name het nationaal park De Schotse Hooglanden.

Op mijn kussen ligt die avond het weerbericht voor de volgende dag: het belooft een ‘wonderful day to swim’ te worden, ‘if you’re a duck’. (Een mooie dag om te zwemmen. Als je een eend bent.) Dat laatste waag ik te betwijfelen. Het jachtseizoen is geopend en de Carnegie clubleden zijn nogal schietgraag. Voor het diner van de volgende dag staat bovendien eend op het menu.

‘De Club beoordeelt momenteel nieuwe lidmaatschapsaanvragen voor 2013’, aldus carnegieclub.co.uk. Zie ook voor activiteiten en proefbezoek.