‘Ik was gewend vrij grenzeloos te zijn’

Kartelexpert Annetje Ottow treedt toe tot een nieuwe mededingsautoriteit in Londen. „Sommigen om mij heen kunnen mijn tempo niet bijhouden.”

Foto Kees van de Veen

Geen roomboter meer op tafel. Van de ene op de andere dag ingeruild voor het goedkoopste merk margarine. Annetje Ottow (47) zit in de schaduw van een parasol en kijkt uit over de zonovergoten tuin achter haar statige jarendertighuis. Van het muurtje dat een vroegere bewoonster er plaatste om contact met de dienstbode te vermijden, is niets meer te zien.

Het is tropisch heet en Ottow – strak rood jurkje, zwarte hoge hakken – haalt herinneringen op aan haar jeugd. Elf jaar was ze toen haar vaders klompenfabriek failliet ging. Deze ervaring zou haar latere keuzes sterk beïnvloeden, denkt ze nu. En de zorgen. Haar ouders hadden na dat faillissement zo veel zorgen. Dat nooit meer, was haar stellige overtuiging. Ze wilde, eenmaal zelf volwassen, altijd financieel onafhankelijk zijn.

Ottow, hoogleraar publiekrecht aan de Universiteit Utrecht, is in de internationale wereld van het karteltoezicht geen onbekende. Als eerste Nederlander treedt ze komend najaar toe tot het bestuur van de nieuw op te richten Britse mededingingsautoriteit in Londen.

In eigen land is ze minder bekend. Ottow was vicevoorzitter van de Opta, de kartelpolitie in de post- en telecomsector, en werkte recent mee aan de fusie van Opta, Nederlandse Mededingsautoriteit (NMa) en Consumentenautoriteit. Ze leidde het strategieteam voor de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De nieuwe kartelwaakhond moet behalve goedkoper, ook anders gaan werken, is haar hoop.

Het is een internationale trend, gedreven door de geldnood van overheden. Maar de golf aan fusies die door de westerse wereld spoelt, kan de maatschappelijke rol van het karteltoezicht ook fundamenteel veranderen, gelooft Ottow. En ten goede.

Wat ging er dan niet goed?

„Als de financiële crisis één ding duidelijk heeft gemaakt is het dat burgers en politici hun vertrouwen hebben verloren in de heilzame werking van de markt. Maar dat heilig geloof in marktwerking is nog steeds wél het uitgangspunt van het mededingingsrecht. Daar wringt het. Met een economische machtspositie an sich is niets mis, was het uitgangspunt bij de NMa. Pas als de markt faalt is ingrijpen geboden. De Opta is juist opgericht om de privatisering van de voormalige staatsbedrijven TNT Post en KPN in goede banen te leiden. Wij hadden nog een apart publiek belang om rekening mee te houden.”

Dat klinkt als een wezenlijk cultuurverschil. Gaf dat geen problemen bij de fusie?

„Het is een andere mentaliteit. De behoudende krachten tegenover de veranderingsgezinden. Ik geloof er heilig in dat we aan de vooravond staan van veranderende regelgeving. De klassieke mededingingsleer is zo ingewikkeld en technisch geworden dat je moet oppassen dat je niet voor een hele kleine kring bezig bent en het contact met de rest van de maatschappij kwijtraakt. Daar is de fusie juist goed voor. Zeer verfrissend. Bij de Consumentenautoriteit zat een relatief jonge club mensen die meer gewend is de grenzen op te zoeken van wat een toezichthouder kan doen. Je kunt mensen óók een handje helpen als ze niet uit zichzelf de beste of goedkoopste aanbieder op de markt kiezen. Dus heeft de ACM nu een ‘digitale energiecoach’ bedacht, die mensen kan helpen bij de overstap naar een andere energieaanbieder. We hebben het gemeten en het werkt. Je kunt je neus er voor ophalen omdat het geen zuiver juridische maatregel is, maar we bereiken wel ons doel: meer concurrentie op de markt.”

Je kunt ook denken: er moet bezuinigd worden en de grote kartels aanpakken is duur. Doe dan maar een digitale energiecoach.

„Investeren in het opsporen van kartels is inderdaad duur. Maar hier speelt in wezen een ander probleem. De bewijslast is te hoog. Het is niet effectief om middelen in te zetten als het zo moeilijk is om te bewijzen dat er prijsafspraken zijn gemaakt. Het duurt vaak jaren voordat je zo’n zaak rond hebt. Dat werkt bij voorbaat ontmoedigend en leidt ook tot overbelasting van de rechterlijke macht. Er is een anekdote over het College van Beroep voor het Bedrijfsleven – de hoogste rechter voor mededingingszaken. Die zou in het paleis van justitie naar de begane grond zijn verhuisd omdat de dossiers te zwaar werden. Ze dreigden door het plafond te zakken.”

U heeft als advocaat ook aan de andere kant gestaan, als partner bij het gerenommeerde Houthoff Buruma. Vier jaar later was u alweer partner-af. Waarom zo jong eruit gestapt?

„Ik kreeg rond die tijd een kind maar werd na de bevalling heel ziek. Bekkeninstabiliteit. Ik had een goedlopende telecompraktijk en heb nog een jaar geprobeerd alle ballen in de lucht te houden. Toen trok ik het niet meer. Hoe groot het ongeluk destijds ook was, achteraf is het een blessing in disguise gebleken. Een instabiel bekken heeft in mijn geval tot een stabieler leven geleid. Ik was gewend vrij grenzeloos te zijn in alles wat ik deed. Ik heb moeten leren stapje voor stapje weer vooruit te komen. Het was de eenzaamste periode in mijn carrière. Maar doordat ik uit de ratrace viel, heb ik kunnen investeren in een proefschrift. Het is een springplank gebleken naar nieuwe dingen. Die ervaring probeer ik nu ook mee te geven aan jonge mensen: ‘Pas op dat je jezelf niet voorbij rent. Investeer in wat je nu doet en doe dat goed.’”

Collega’s uit uw tijd als advocaat zien de overstap naar het toezicht zo vroeg in uw carrière als een negatieve keuze. Niet iets dat je vrijwillig doet.

„Wat een dedain. Werken bij de toezichthouder is fantastisch! Advocaten onderschatten het werk van de toezichthouder. Zij gaan slechts voor één belang, wie toezicht houdt moet allerlei belangen afwegen. Ja, er is een verschil in verdiensten en werklast. Maar dat de kwaliteit daardoor minder is, bestrijd ik. Toezichthouders werken veel strategischer dan advocaten soms denken. Ze moeten veel verschillende disciplines beheersen en hebben daarom vaak meer kennis van de markt. ”

Toch lijkt de ACM, voorheen de NMa, vooral successen te boeken in kleine, onbeduidende branches. Persberichten over een garnalenkartel of prijsafspraken in de zeeschepenafval. Waar blijft het bankenkartel?

„De bouwfraude was niet klein.”

Dat is elf jaar geleden.

„Ja, dat is een juiste constatering. Het is van tweeën één: of de grote kartels zijn er gewoon niet, of ze zijn zo professioneel opgezet dat ze niet te ontdekken zijn.”

U bent de eerste Nederlander die toetreedt tot het bestuur van een buitenlandse karteltoezichthouder. Waarom willen de Britten u zo graag hebben?

„De kans dat ik die baan zou krijgen was minimaal. Ik ging er toch een beetje vanuit dat het een politieke benoeming zou worden. Maar ze willen in Engeland heel graag leren van andere landen, en hoe de fusies daar zijn verlopen. Door mijn wetenschappelijke leerstoel heb ik die internationale kruisbestuiving al veel opgezocht: met lezingen, workshops. Een headhunter had mijn naam doorgekregen vanuit die fora. Toch moest ik nog drie keer naar Londen komen voor de selectieprocedure. ”

U bent onlangs ook voorgedragen voor de Raad van Toezicht van de Vrije Universiteit en het VUmc, waar door gebrek aan toezicht veel mis kon gaan. Krijgt u het niet te druk?

„Het zijn inderdaad uitdagende projecten waar ik aan begin. Maar voor minder doe ik het niet. Misschien is de timing wat ongelukkig, maar dan heeft dat zo moeten zijn. Ik had ook prima tot aan mijn pensioen alleen hoogleraar kunnen blijven. Maar ik wil nieuwe dingen blijven doen. Mensen om mij heen hebben daar soms moeite mee. Die kunnen mijn tempo niet bijhouden. De laatste tijd merkte ik dat ik vooral bezig was anderen te doceren. Door nu een nieuwe stap te zetten, kan ik weer van anderen leren.”

U heeft een zoon in de puberteit. Niet lastig om juist nu veel in het buitenland te moeten zijn?

Verontwaardigd: „Dat stoort me nou zo, dat die vraag nooit aan een man wordt gesteld. Laatst sprak ik Harvard-professor Malcolm Sparrow. Ik was voor twee weken in de Verenigde Staten. Hij me: ‘En je kinderen dan?’ Terwijl hij zelf continu de hele wereld over reist. Toen antwoordde ik met een wedervraag: ‘Malcolm, hoeveel kinderen heb jij eigenlijk?’ ”

Er volgt een lang betoog over ingesleten traditionele rolpatronen en vrouwen zonder ambitie. Het frustreert Ottow te zien hoeveel van haar jonge studentes met goede cijfers carrièrekansen laten lopen, zodra er een vriendje in het spel is. Dat zou niet moeten mogen, vindt ze. Wie de kwaliteiten in huis heeft, moet zijn talenten benutten.

Dat heeft ze, zegt ze, van haar vader meegekregen, van wie ze naar eigen zeggen het meeste leerde over het leven. Hij bracht zijn jeugd door in een jappenkamp en werd, eenmaal terug in Nederland, naar de middelbare school gestuurd zonder ooit een basisschool van binnen te hebben gezien.

Ottow: „Mijn vader heeft veel minder kansen gekregen dan ik. Die heeft hij voor zichzelf moeten creëren. Ik ben opgegroeid met veel financiële tegenslagen voor ons gezin. Toch stuurde hij mij in mijn jeugd al naar Engeland om Engels te leren. Mijn vader heeft altijd in mij geloofd. Me op paden gebracht waar ik nooit aan had gedacht. Of ik een man of een vrouw was, deed niet ter zake.”

Toch leeft Ottow tot haar spijt nog steeds in „een mannenmaatschappij”. Ze hoeft het Financieele Dagblad maar open te slaan of het confronteert haar met „één grote mannenparade”. Dat zou anders moeten, maar vrouwen moeten daar wel zelf naar handelen, meent ze. „Als je het goed wilt doen, zul je keuzes moeten maken. Mannen doen dat ook. Ik zie nog te veel vrouwen die eigenlijk vinden dat ze wel wat minder mogen doen. Maar je kunt niet een zware, verantwoordelijke baan hebben en het half doen. Zo’n man baalt ook wel eens als hij een voetbalwedstrijd mist.”

    • Ariane Kleijwegt