Opinie

Cijfers helpen vaak – en je kunt ze ook checken

Maar hoe zit het nu met de Vogelaarwijken?

Een studie van het SCP, Werk aan de wijk, concludeerde dinsdag dat de investeringen in die wijken geen „robuuste gunstige effecten” hebben gehad, op de leefbaarheid en veiligheid, ten opzichte van vergelijkbare probleemwijken die niet onder het beleid vallen. Mogelijk was het zónder dat beleid slechter gegaan, dat wel, maar het verschil met die andere wijken is er dus ook niet kleiner door geworden.

Dat was nationaal nieuws, dat ook meteen werd ingekaderd in een discussie over mislukt overheidsbeleid en weggegooid geld. Maar welke conclusie kun je eigenlijk trekken op basis van dit onderzoek?

Op de dag dat de studie werd gepresenteerd, bracht de krant al een duidend stuk van Oscar Vermeer (Weggegooid geld? Het is maar hoe je het bekijkt, 31 juli) en een bijpassende reportage van Bart Funnekotter uit De Wielwijk in Dordrecht (De Wielwijk was hopeloos, maar nu willen er weer mensen wonen). De voorpagina keilde de stukken aan met een zomerse foto van hengelaars in De Wielwijk, onder de kop SCP: Vogelaarwijken ondanks investeringen niet beter af dan andere probleemwijken. Nogal rustiek, voor zulk opzienbarend nieuws.

Maar die kop was precies goed, want daar ging het om: het gaat niet slechter met die wijken dan met andere probleemwijken, maar ook niet béter – en dat was de bedoeling.

Alleen, een maand eerder, merkte een lezer op, meldde de krant op basis van andere cijfers, die minister Blok (Wonen en Rijksdienst) naar de Tweede Kamer stuurde, juist opmerkelijk positief nieuws over die wijken: de achterstand was er nog groot, maar de leefbaarheid was duidelijk verbeterd (Leven in probleemwijken is prettiger geworden, 24 juni).

Hoe dat kan, werd uitgelegd in het stuk van Vermeer. De Vogelaarwijken hebben niet méér vooruitgang geboekt dan vergelijkbare probleemwijken – dus kennelijk heeft de investering van al die miljoenen geen „extra zetje” gegeven.

Heldere uitleg. Maar de krant gaf bij die duiding wel wat weinig concrete details of cijfers uit het rapport, en dat blijft toch nuttig, want waar hebben we het precies over: welke wijken zijn het ook alweer, hoeveel mensen wonen er? Er was een grafiek met de totale investeringen, maar geen kerndata uit het rapport of een kaart waar die veertig wijken liggen. Nu was dat ook niet het nieuws, maar het is wel handig om het er even bij te hebben. En kaarten en grafieken helpen: zie ook de productie in de krant van heden, over vijf jaar crisis in Nederland.

Het rapport zelf biedt overigens volop cijfers die ook niet nieuw zijn maar toch weer frappant: over de woningvoorraad in de wijken, over de bevolkingssamenstelling (het aandeel niet-westerse immigranten is er bijvoorbeeld met 46 procent veel groter dan in andere wijken; zij verhuizen ook veel vaker dan autochtone Nederlanders tussen verschillende probleemwijken in plaats van naar een betere) en over werk en inkomensverdeling (het percentage bewoners met een bijstandsuitkering is er ruim twee keer zo hoog als elders). Zo toont zich de sociale kwestie: niet meer kunnen ontsnappen aan de armoede.

Je zou ook wel wat preciezer willen lezen hoe het SCP een en ander nu heeft gemeten, vergeleken met andere onderzoeken naar leefbaarheid die in omloop zijn. Het rapport heeft bovendien de intrigerende ondertitel Een quasi-experimentele evaluatie van het krachtwijkenbeleid.

Quasi-experimenteel?

Nee, het is wel heel flauw om dan aan Jomanda te denken, en je zou de lezer ook nodeloos ophouden als je in de krant eerst uitgebreid gaat uitleggen wat ‘regressiediscontinuïteitsdesign’ en ‘propensity score matching’ zijn, twee ‘quasi-experimentele’ technieken die voor het onderzoek zijn gebruikt. Hoewel, met de tweede heb ik het wel eens geprobeerd, in een rubriek over de statistische bekwaamheid van het PVV-Kamerlid Lilian Helder (Lilian Helder: appels en peren, 13 april).

Maar een korte, bondige uitleg zou wel behulpzaam zijn, zeker omdat het gaat om onderzoek dat nu onvermijdelijk het middelpunt is geworden van politieke strijd en de spin van allerlei belangengroepen.

Dat hoeft ook niet meteen die eerste dag, want je wilt uiteraard om te beginnen weten wat de uitkomsten van zo’n onderzoek zijn, en hoe je die moet begrijpen – en dat legde de krant uit. Maar zoals ik al eens opperde (over de journalistieke onderuitputting van het onderzoek van Job Cohen naar Haren): zulke onderzoeken zijn niet na één dag uitbehandeld (Rapporten in de krant: soms ook de moeite als ze oud nieuws zijn, 23 maart). De krant kan er altijd nog op terugkomen, op de nieuwspagina’s of algemener in een bijlage.

Zoals met een ander voorbeeld van cijfers over achterstand.

Ontwikkelingsorganisatie Cordaid kondigde vorige week aan de armoede in Nederland te gaan bestrijden met projecten om werklozen aan een baan te helpen. Mooi plan, maar de organisatie zei erbij, ook in andere kranten en tegen het NOS Journaal, dat het aandeel Nederlanders dat in armoede leeft, in twintig jaar tijd was toegenomen van 4 procent tot 10 procent van de bevolking (Cordaid pakt armoede in Nederland aan, 24 juli).

Maar waar is dat schrikbarende percentage op gebaseerd?

Redacteur Wilmer Heck van nrc.next zocht het een dag later uit voor de rubriek ‘next checkt’. Hij vroeg commentaar aan Cordaid – dat de cijfers bij nader inzien tien jaar bijstelde, het ging nu om een periode van dertig jaar – en ploegde zich door statistieken en armoededefinities van het CBS en SCP heen.

Zijn conclusie, althans op basis van SCP-criteria: in 2011 leefde 7,1 procent van de Nederlanders in armoede. Dat stijgt waarschijnlijk tot 7,6 procent, maar twintig jaar geleden was het hoger: 8,5 procent. De bewering van Cordaid bestempelde next daarom als „onwaar”.

Aan zulk cijferwerk heb je wat, als lezer. Ook een dag later nog.

Reacties: ombudsman@nrc.nl