Een ontsnapt buitenmeisje

De Iers-Britse schrijfster Edna O’Brien had woelige en ongelukkige liefdesrelaties, kwam in de ‘Sixties’ alle sterren van ‘Swinging London’ tegen en heeft nu haar memoires geschreven.

Edna O’Brien is verwant aan de laatste tsarina van Rusland, Marie Antoinette en de actrice Susan Sarandon. Dat bleek toen een Ierse krant haar DNA liet onderzoeken. In haar memoires, Country Girl, is de Ierse schrijfster er relativerend over: ‘Op de vraag wat ik van mijn koninklijke afkomst vond, dacht ik met huiver aan het noodlottige leven van de eerste twee, en mijn pogingen om contact te krijgen met Susan Sarandon liepen op niets uit.’

Die relativering, waarbij ze zich toch niet kleiner maakt dan ze is, kom je vaker tegen in dit boek, waarvan de Nederlandse vertaling is verschenen onder de titel Een meisje van buiten.

Het is natuurlijk geen toeval dat zowel de Engelse als de Nederlandse titel van O’Briens memoires reminiscenties oproept aan haar geruchtmakende debuutroman uit 1960, The Country Girls (Nederlands: De buitenmeisjes). Die roman had een sterk autobiografische inslag, en degenen die De buitenmeisjes lazen, zullen in de eerste honderd bladzijden van de memoires van O’Brien (1930) veel herkennen, van de kinderverliefdheid op een boerenknecht tot de strenge nonnen van de kostschool.

Zo plaatsen de memoires de roman in een nieuw kader. Ook O’Brien is een buitenmeisje dat ontsnapt. Eerst naar Dublin, dan naar Londen, waar ze zich vestigt met haar man, de Ierse dichter Ernest Gébler, en hun twee kinderen. Daar schrijft ze in zes weken The Country Girls. De jaloezie van haar echtgenoot neemt groteske vormen aan; nadat hij haar boek heeft gelezen, zegt hij: ‘Je kan schrijven, en dat vergeef ik je nooit.’

Voogdij

Terwijl ze in haar moederland wordt verguisd vanwege de openhartige manier waarop ze in haar debuut over liefde en overspel schrijft (er worden zelfs exemplaren verbrand), heeft ze in Londen te maken met een moeizame echtscheiding en een nog moeizamere strijd om de voogdij. Maar ze schrijft door, twee jaar na haar debuut verschijnt de vervolgroman The Lonely Girl.

Op het moment dat O’Briens carrière op gang komt, zijn we al halverwege het boek. Dat zie je vaker bij autobiografieën van schrijvers: de aanloop neemt de meeste tijd in beslag en is het boeiendst. Als lezer van memoires zie je het moment waarop de auteur eenmaal doorbreekt dan ook vaak met enige angst tegemoet. De interessante periode van strijd is voorbij, van nu af aan wordt er achter bureaus gezeten en geschreven; dat levert meestal niet de interessantste lectuur op. Maar Edna O’Briens memoires onttrekken zich aan deze tendens. Na haar doorbraak zit O’Brien niet alleen maar te schrijven, ze gaat regelmatig de deur uit, en achter die deur bevindt zich het Swinging London van de jaren zestig.

Ze werpt zich er middenin en komt iedereen tegen. Als Een meisje van buiten een register had gehad (wat helemaal geen gek idee zou zijn geweest) zouden daarin namen vermeld staan als Roger Vadim, Jane Fonda, Samuel Beckett, Ingrid Bergman, Robert Mitchum, Marianne Faithfull en prinses Margaret. Ze wordt van een feestje thuisgebracht door Paul McCartney, die haar kinderen in slaap zingt en ook nog even een liedje voor haar improviseert. (‘O Edna O’Brien/ She ain’t lying/ You gotta listen/ To what she gotta say…’)

Ook de schaduwkanten van de jaren zeventig maakt ze mee. Ze gaat in therapie bij de beruchte psychiater R.D. Laing en slikt samen met hem lsd, iets wat een bad trip oplevert die nog weken lang doorwerkt. Ze heeft twee heftige, ongelukkige liefdes met getrouwde mannen (‘Ik moet erbij zeggen,’ schrijft ze in een terzijde, ‘dat ik de benodigde geslepenheid en huichelarij mis voor een normale relatie’) en op een gegeven moment is ook haar geld op.

Wanneer het leven van O’Brien in rustiger vaarwater terechtkomt, dreigt voor de lezer de verveling toch toe te slaan, maar O’Brien weet dat te voorkomen door voor het laatste deel van haar memoires te kiezen voor een thematische opbouw in plaats van een chronologische opsomming. Er volgen hoofdstukken over New York, waar ze zo nu en dan optreedt als gastdocent, over het Ierse conflict (ze wordt beschuldigd van te veel sympathie voor de IRA) en over haar huis in Donegal.

Het interessantste hoofdstuk uit dit gedeelte is ‘De nacht van de tijd’, een associatief weefsel van herinneringen aan onder meer de vossen in haar achtertuin, de koude winter van 1963 en haar halfslachtige zelfmoordplannen in Singapore. Misschien had O’Brien haar hele autobiografie op deze associatieve en niet-chronologische manier moeten schrijven. Dat had waarschijnlijk ook voorkomen dat er hier en daar in haar tekst ‘oma vertelt’-constructies opduiken als ‘Nooit zal ik vergeten hoe’, ‘Het zat zo’, ‘Dat kwam zo’ en ‘Toen gebeurde het’.

Iedereen

In het aan New York gewijde hoofdstuk begint dan toch ook de namedropping te irriteren. O’Brien mag dan ooit tevergeefs contact hebben gezocht met Susan Sarandon, verder heeft ze iedereen ontmoet. (Ach, kijk, Jackie Onassis! En daar, Al Pacino!) Op een gegeven moment denk je: ja, ja, nu weten we het wel, Edna O’Brien kent iedereen.

Maar het omgekeerde is ook waar, iedereen kent Edna O’Brien; ze is zelf ook een beroemdheid. Dat je dat bijna zou vergeten, is niet zo vreemd: ze schrijft dan wel onderhoudend over haar belevenissen, maar over haar schrijverschap en boeken vertelt ze weinig, zodat je er nauwelijks bij stil staat dat je de memoires leest van een meermalen bekroonde en in vele talen vertaalde auteur die van grote invloed is geweest op de Ierse literatuur en samenleving.

Hoe ze die positie beschouwt, blijkt uit de manier waarop ze de festiviteiten beschrijft wanneer er bij haar geboortehuis, Drewsboro, ter ere van haar een plaquette wordt onthuld. ‘Voor een handjevol mensen, waar kinderen schaterlachend op fietsjes doorheen stoven, hield ik een kort praatje over de invloed van Drewsboro op mijn romans. Ik noemde het een “inspiratiebron”, waarop de kinderen helemaal niet meer bijkwamen.’ Een relativerende passage. Maar uit het feit dat ze deze kleine plechtigheid in haar memoires opneemt, spreekt ook het gezonde zelfbewustzijn van een schrijver die weet wat ze waard is.