Het eindpunt

Serie over 7 dames en een man die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Mevrouw Niterink vraagt: „Hoe is het met mijn moeder?”
Mevrouw Niterink vraagt: „Hoe is het met mijn moeder?”

‘O godzijdank! Daar ben je eindelijk. Kom je me halen?” Ze zit met een clubje mensen in de snikhete windstille binnentuin, net niet onder de parasol en met haar jas aan.

„Je komt me toch halen? We gaan toch naar huis?”

„Ja mam”, lieg ik. „Heb je het niet warm?”, probeer ik het gesprek een andere wending te geven, terwijl ik voorzichtig de jas van haar klamme rug af begin te pellen.

„Nee”, roept ze en staat resoluut op, „die houd ik aan, we gaan toch weg.”

„Eerst even zitten”, zucht ik, „het is veel te warm om je druk te maken.”

„Ze is erg onrustig vandaag”, vertelt de man die naast haar zit. „Ze wil steeds maar weg, net stond ze bij de deur en ze wilde dat ik hem voor haar opendeed. Toen ik zei dat dat niet kon, werd ze heel kwaad, begon met haar tas te zwaaien en riep ‘laat me eruit of ik sla je kop eraf!’”

„Mam”, roep ik geschrokken.

„Ach”, gaat-ie verder, „mijn vrouw heeft het ook niet makkelijk, ze zit hier pas een week.”

Hij hoofdgebaart naar een grote vrouw met een grijs polkakapsel. Ik ken haar. Een paar weken terug zag ik haar terwijl ze werd rondgeleid door de zuster in de multifunctieruimte bij de droogkappen.

„Dan wordt dit uw kapper”, sprak de zuster opgewekt. „O, leuk”, stamelde de vrouw beleefd, maar ik zag de totale ontreddering in haar ogen.

„Gaat het een beetje met haar?”, vraag ik.

„Nou nee, niet echt”, zegt een vrouw met een hondje op schoot en een strooien hoedje op. „Mijn moeder is heel erg in de war. Mijn zus en ik vonden dat zo zielig voor haar, dat we haar een paar dagen geleden spontaan ontvoerd hebben en meegenomen naar huis. Mijn vader was daar helemaal niet blij mee. Toen ze op de bank ging zitten poepen, hebben we haar maar weer teruggebracht.”

Er komt een man met een rood hoofd de tuin in lopen. „Daar heb je ome Mees”, zegt de vrouw met het hoedje.

„Nee, Truus”, roept de man, „wat verschrikkelijk, dat je hier nu zit! Dit is toch wel het eindpunt!” De vrouw met het hoedje begint te giechelen. Mijn moeder staat op: „Kom we gaan.”

„Dit is toch wel het eindpunt”, hoor ik de man nog een paar keer vanuit de binnenplaats galmen als we in de gang voor de deur staan. De deur wil niet open. „Het is haar tag”, zegt de zuster, „die moet af, want daardoor blokkeert de deur.” Meestal zit die om haar pols, maar vandaag niet. „Misschien in haar tas?”, zegt de zuster. Ik pak haar tas en begin te zoeken.

„Wat moet je in mijn tas!”, roept mijn moeder en trekt hem resoluut uit mijn handen. De zuster, die haar vanachter benadert en een poging tot fouilleren doet, krijgt er een klap mee in haar maag.

„Hoe is het eigenlijk met mijn moeder?”, vraagt mijn moeder als ze op een terras in de stad achter een stuk chocoladetaart zit.

„O prima!”, zeg ik. We hebben besloten dat de hele familie weer leeft, dat bespaart een hoop verdriet en narigheid.

„Ze zit ook in een verzorgingshuis.”

„Ook, wie nog meer dan?”