Werken aan vakantie

Amerikanen zien vakantie als iets voor luilakken. Ze vrezen ook dat niemand hen mist tijdens hun afwezigheid. Nog even en wij gaan ook die kant op

Na lang zoeken op internet had ik haar gevonden: Dana. Eindelijk iemand die bereid was deze zomer haar New Yorkse appartement te ruilen met mijn huis in Amsterdam. Alle ingrediënten voor een geslaagde house swap leken aanwezig, want Dana wekte via de mail een betrouwbare indruk en ze had een mooie woning in een levendige buurt in Queens. Daar zou ik prima een tijd kunnen genieten van het New Yorkse leven, en tegelijk kunnen schrijven aan mijn boek. Er was maar één nadeel: de maximumduur van de huizenruil was wat Dana betreft slechts acht dagen. Meer vakantiedagen had ze niet over; ze was dit jaar namelijk ook al eens een lang weekend weggeweest.

Dana is in haar land geen uitzondering. Amerikanen krijgen van hun werkgever – althans in de ogen van Europeanen – schokkend weinig vakantie: gemiddeld maar tien dagen per jaar. En wat nog opmerkelijker is: uit een recent artikel in The New York Times blijkt dat de meeste Amerikanen die tien dagen niet eens opmaken. Ze zijn bang dat ze op hun werk als ‘lui’ worden bestempeld, of dat ze tijdens een lange absentie niet worden gemist op de werkvloer. Bovendien voelen ze zich ongemakkelijk bij de gedachte een tijdlang niet productief te zijn.

De ingewikkelde relatie van Amerikanen met vakantie (en met vrije tijd in het algemeen) vindt haar oorsprong bij de religieuze stichters van het land, de puriteinse kolonisten in de zeventiende eeuw. Zij streefden een vrome, rechtschapen gemeenschap na een city upon a hill die kon dienen als voorbeeld voor de rest van de wereld. Alles wat maar enigszins te maken had met amusement of met genieten van vrije tijd zagen de puriteinen als een zonde, want Gods kostbare tijd mocht je niet verspillen.

Er is nog een andere oorzaak waarom Amerikanen vaak moeilijk kunnen genieten van vrije tijd. Die heeft te maken met het kapitalistische systeem dat zich in de negentiende eeuw ontwikkelde. Om op een eervolle manier iets te bereiken in het leven moest je hard werken, zo was de gedachte. Arbeid werd onderdeel van het idee van de American Dream. Je was verantwoordelijk voor je eigen succes; als je maar je stinkende best deed, was alles mogelijk. Omgekeerd zou, door het ontbreken van een sociaal vangnet, luiheid leiden tot armoede.

In die godvrezende en individualistische Amerikaanse samenleving was dus weinig plaats voor vakantie. Later kwam daar wel iets meer ruimte voor, als de trips maar enigszins nuttig waren. Zomerkampen waar jongeren specifieke vaardigheden leren zijn bijvoorbeeld een typisch Amerikaanse uitvinding. En het is in de VS de normaalste zaak van de wereld om de weinig beschikbare vrije tijd te combineren met werk. Amerikanen zullen nooit raar opkijken als je vanaf het strand even met de zaak belt om naar de laatste kwartaalcijfers te informeren.

Onlangs publiceerde het Center for Economic and Policy Research (CEPR), een progressieve denktank uit Washington, een onderzoek over de VS als ‘no vacation nation’.

Hoewel de onderzoekers het niet met zoveel woorden schreven, was hun bedoeling duidelijk: het was tijd om het lage aantal vakantiedagen in hun land een stukje richting het niveau van de rest van de westerse wereld te brengen. Maar het puriteinse en kapitalistische gedachtegoed bleek nog springlevend, want meteen regende het kritische reacties.

Columnist Robert J. Samuelson van The Washington Post vroeg zich bijvoorbeeld verontwaardigd af hoe de onderzoekers hun pleidooi voor meer vakantie in deze crisistijd ook maar durfden uit te spreken. Zij moesten zelf op vakantie zijn geweest – van de realiteit, welteverstaan. ‘Betaald verlof betekent mensen belonen voor nietsdoen.’ Op die manier zouden de Verenigde Staten nooit hun grootschalige financiële problemen overwinnen, volgens Samuelson.

In West-Europa is de verhouding tussen werk en vakantie een stuk minder complex. Een humanist als Erasmus vond dat reizen de geest verrijkte. In die traditie past ook het ontstaan van zogenaamde ‘Grand Tours’ door welgestelde jongemannen in de achttiende eeuw. Zonder enig moreel schuldgevoel trokken zij er vaak maandenlang op uit, met als enig doel meer van de wereld te zien. Zulke ‘vakanties’ waren voor hen een middel om zichzelf te ontwikkelen. Zo bezien verschillen deze eerste elitaire toeristen weinig van de backpackers van nu.

In de twintigste eeuw werden vakanties ook voor lagere klassen in de samenleving toegankelijk, en een manier om je even te onttrekken aan de dagelijkse sleur van het harde werken in de fabriek of op het platteland. Het was Adolf Hitler – niet te beroerd om iets te betekenen voor de Arische Arbeider – die vlak na zijn machtsovername in 1933 het recht op vakantie garandeerde. Een periode vrijaf zou uiteindelijk de arbeidsproductiviteit ten goede komen. Tijdens de Duitse bezetting kregen ook Nederlandse arbeiders recht op verlof, en vanaf 1966 zelfs recht op betaald verlof. Vakantie (‘even de accu opladen…’) was een vast onderdeel van de verzorgingsstaat geworden.

Maar een gevolg van de economische crisis is dat verworven rechten de laatste jaren ter discussie worden gesteld. Stukje bij beetje veranderen zekerheden die tot voor kort onaantastbaar leken, denk aan de versobering van de WW of de versoepeling van het ontslagrecht. Het is dan ook niet vreemd dat in een tijd als deze kritische geluiden klinken over de langdurige vakantieregelingen die Nederland kent – zie bijvoorbeeld het artikel van Johannes Visser op 5 juli in deze krant. Het was een pleidooi voor minder vakantie binnen de onderwijssector: van zijn zestig vakantiedagen per jaar kon hij er best een paar missen.

Vissers prikkelende betoog voor minder vakantie deed eigenlijk hetzelfde als de Amerikaanse onderzoekers van de CEPR – maar dan omgekeerd. Uiteraard kreeg ook Visser kritische reacties op zijn stuk, maar de meeste reacties waren positief. Het kan wel wat minder met die vakanties voor docenten, en zestig dagen vrij was toch wel erg overdreven – dat was de teneur. Als deze reactie ook in de politiek wordt opgepikt, zou het zo maar kunnen dat het in de toekomst met de duur van Nederlandse vakanties snel de Amerikaanse kant opgaat.

Om alvast te oefenen heb ik Dana teruggemaild dat ik haar aanbod graag aanneem. Acht dagen, dat is een periode waarin het toch mogelijk moet zijn om je even in het New Yorkse leven onder te dompelen. Wel moet ik bekennen dat ik mijn schrijfdoelstellingen in de Big Apple wat heb teruggeschroefd. Ook al ga ik naar de Verenigde Staten, de amerikanisering van mijn vakantie kent tenslotte ook z’n grenzen.