Weense dames, hoekig of ijl getekend

In Assen: Gustav Klimt, Mädchen-Studie, potlood op papier, ca. 1917/18, 57 × 37 cm. Foto Drents Museum

Lyrische Lijnen. Klimt, Kokoschka en Schiele, t/m 22 sept in het Drents Museum, Brink 1, Assen. Di-zo 11-17u. Inl: www.drentsmuseum.nl

Het was kunst waarmee hij de Weense autoriteiten behoorlijk tartte: de erotische tekeningen die Egon Schiele maakte begin vorige eeuw. Een aantal is te zien in de groepstentoonstelling Lyrische Lijnen op de zolder van het Drents Museum, tussen tekeningen van Oostenrijkse tijdgenoten. Op die licht verduisterde bovenverdieping hangen ze wat heimelijk buiten de grote loop, zoals pornografie in een doos onder het bed thuis schijnt te horen. Het was onvermijdelijk dat het conservatieve Wenen het moeilijk had met Schiele. Tekenlijnen die hij hard en hoekig neerzette, op zich al een daad van passie, tonen lijven die zich onverbloemd tot elkaar of zichzelf verhouden – niets bevalligs, puur vleselijk. Okselhaar, ellebogen, schonkige heupen drukte hij met potlood zo hard in het papier dat het lijkt alsof hij die naaktheid wilde beetgrijpen.

Het leven was moeilijk voor Schiele, die van een incestueuze relatie met zijn zus belandde in andere verboden liefdes. Dat wetende zie je meer dan duidelijk zijn frustraties en obsessies af aan deze tekeningen, gemaakt voor en nadat zijn erotische tekeningen hem in 1912 in de gevangenis hadden doen belanden. Lyrisch, ja dat zijn die lijnen inderdaad, en ze zijn een contrast met de erotische tekeningen van tijdgenoot Gustav Klimt in hetzelfde zaaltje. Hoewel Klimts schilderkunst ook niet bepaald preuts is, zijn deze modelschetsen bijna schuchter. Zijn potlood streelde het papier voorzichtig, alsof hij zich beschaamd voelde om die curves te tekenen: een naakte vrouw van achteren gezien, rug en billen in één vloeiende lijn. Boven die ijle lijven prijken onpersoonlijke poppengezichtjes, van een kunstenaar die graag idealiseerde. Erotiek is een van de pakweg vijf thema’s (portretten, figuurstudies, landschap, dreiging) in de zeventig tekeningen, te leen uit de Grafische Sammlung van de Landesgalerie Linz. Niet alleen Schiele en Klimt zijn te gast, ook Oskar Kokoschka – vooral in de sectie portretten tussen de dames op stand van Klimt die nu in zilverstift wel netjes af en gekleed zijn. Die drie beroemdheden worden opgevoerd in de tentoonstellingstitel, maar de mindere goden om hen heen zijn niet per se minder interessant. Dat blijkt vooral in het themahoekje oorlog en geweld, dat de andere kant van die jaren tien toont: de Eerste Wereldoorlog. Europa zou nooit meer hetzelfde worden.

Alfred Kubin, ook al getekend door jeugdtrauma's, tekende een gestrande haai die op het droge ligt te sterven en te lijden, het bijna uitschreeuwend van pijn. Dat was in 1911 en met de kennis van nu zie je in zijn donkere tekeningen – een bang kalf in een onheilspellend schaduwlandschap – metaforen voor de naderende oorlog. Maar dat is achteraf, toen waren de makers vooral kunstenaars met allerlei angsten en fascinaties, met tekenkunst als perfect expressiemiddel zonder tussenkomst van composities of correcties. Dat maakt deze tekeningen zo krachtig.

Daarbij floreerden stijlen verwant aan jugendstil (Klimts sierlijke naaktheid), expressionisme (Schieles rauwheid) en symbolisme (Kubins dieren als menselijke symbolen). Frontsoldaten en karikaturen van militairen, in diepzwarte arceringen, maken duidelijk waarom de erotiek zo’n grote vlucht nam: het was een boze buitenwereld. Daar kon je ook uit ontsnappen met een paar idyllische aquarellen waarin alle turbulentie ver weg was: een besneeuwd park met flanerende zondagmensen (Oskar Laske), een herfstige heuvel in zachte auberginetinten (Klemens Brosch). Vier zulke landschapjes zijn er op de tentoonstelling: een genre dat al gauw gelijk zou staan aan iets uit een voorbije, onschuldige tijd.