Topsport een kick. gaf Laat het los

Een leven opbouwen na de Olympische Spelen is soms zwaar Het is moeilijk een nieuwe invulling te geven „Ik zoek de stress op”

De werkkamer van oud-judoka Elisabeth Willeboordse, die afscheid nam na de Spelen in Londen, één jaar geleden. Foto Lars van den Brink

Met betraande ogen stapte Elisabeth Willeboordse een jaar geleden voor het laatst van de judomat. Ze had haar loopbaan in Londen met olympisch goud willen besluiten, maar eindigde zonder medaille. Ze voelde zich leeg. De beslissing te stoppen als judoka moest nog rijpen: weg trainingsuren, weg gewichtsstrijd, weg blessures, weg spanning. Op naar een nieuw leven!

Hoe ziet dat eruit, één jaar na de Olympische Spelen? Het bij sporters gevreesde zwarte gat kent ze niet, zegt Willeboordse (34). „Ik denk dat ik op het juiste moment ben gestopt.” De leegte was snel gevuld. Willeboordse kocht in december met haar vriend een kluswoning in Rotterdam, mag zich sinds mei doctorandus in de geneeskunde noemen en is bezig Braziliaanse straatkinderen naar Nederland te halen voor een tiendaagse sportstage.

Toch weet ze niet of ze blij is met wat ze nu doet. „Ik heb in één keer veel hooi op mijn vork genomen”, vertelt Willeboordse. „Ik zoek de stress op. Soms denk ik: jee, kan het niet wat minder. Het voelt niet lekker als ik nooit tijd heb voor andere dingen. Maar ik vraag me af of ik het ooit rustig zal krijgen. Ik wil toch spanning in mijn leven, ook al weet ik dat de tijd van topsport niet meer terugkomt.”

Stoppen na de Olympische Spelen is één, het „definiëren van een nieuwe identiteit” is twee, zegt Agnes Elling, sportsocioloog bij het Mulier Instituut en co-auteur van Bloed, zweet en tranen en een moment van glorie (2012), een onderzoek naar het Nederlandse topsportklimaat. Ze herkent de woorden van Willeboordse. „Topsporters buffelen vaak na hun loopbaan meteen door, ook omdat er brood op de plank moet komen. Maar niet iedereen overziet de gevolgen van stoppen met topsport.”

Bezinning

Een leven opbouwen na de Spelen is soms zwaar. Een enkele oud-topsporter eindigt depressief, verslaafd, berooid. Elling: „Sommigen zullen het afscheid van zo’n extreem leven als een rouwproces ervaren, maar de meesten zeggen gewoon: het is een beetje wennen. Topsporters zijn vaak trots, ze hebben keihard gewerkt voor hun sportcarrière. Dan kan het moeilijk zijn toe te geven dat het lastig is het leven daarna in te vullen.”

Oud-zeiler Sven Coster (34), die zijn loopbaan in Londen besloot met de twaalfde plek in de 470-klasse met broer Kalle, nam bewust de tijd voor bezinning. Hij hielp bij de bruiloft van zijn broer, vierde met zijn vriendin vakantie in Mexico en was twee maanden ijsmeester op het Museumplein in Amsterdam. „Het is lastig: wat ga je doen, hoe zit de wereld in elkaar? Ik heb goed geluisterd naar mensen om me heen en mensen die ik in de loop der jaren heb leren kennen, zoals ondernemers en oud-sponsors.”

Nu bedient Coster, na een eerste sollicitatie bij een nautisch fabrikant, als accountmanager zakelijke markt met een collega zo’n driehonderd klanten voor KPN. Heimwee heeft hij niet – of het moet naar de vierde plaats van de Zomerspelen in Beijing (2008) zijn. „Het is hard werk, ik heb het naar mijn zin, al is het heel anders. Als topsporter doe je alles voor jezelf, hier werk je voor een baas en een bedrijf. Als zeiler kon ik echt geen steekje laten vallen. Hier is een foutje wel te herstellen.”

Coster profiteert ervan dat hij als zeiler al commerciële economie heeft gestudeerd – een luxe die niet voor elke topsporter is weggelegd. Elling: „Ideaal zou zijn dat een sporter bijtijds nadenkt over zijn toekomst, maar dat is een spanningsveld. Sport vraagt tegenwoordig zeven dagen per week beschikbaarheid, al het andere is afleiding van het doel. Alles staat in het teken van jou, maar zo is het straks niet meer. En intussen lees je wel in elk interview: ‘Het zwarte gat, dat overkomt mij niet’.”

Elling stelt dat een eenzijdig ontwikkelde identiteit de oud-sporters het meest belemmert. „Ze komen vaak uit een topsportfamilie en vinden ook hun partner in de sport. Dat helpt vast bij hun sportieve ontwikkeling, maar ze missen dan een relativerende omgeving. Ze moeten iets nieuws vinden als ze stoppen. Dat hoeft niet eens meteen een baan te zijn, ook een kind kan oud-sporters laten zien dat er misschien nog wel mooiere dingen bestaan.”

Willeboordse was als judoka al serieus bezig met een maatschappelijke carrière. Ze studeerde met onderbrekingen geneeskunde en was lid van de vorig jaar opgeheven Defensie Topsport Selectie. Nu heeft ze nog een contract voor drie jaar bij Defensie. De luitenant-ter-zee van de Koninklijke Marine wacht na haar co-schappen een opleiding tot militair arts. „Eigenlijk heb ik nu weer een ingedeeld leven, dat maakt het makkelijker de sport af te sluiten.”

Ook Annemiek de Haan (32), die als roeister met de vrouwenacht drie olympische medailles won (zilver en twee keer brons), mist haar sport niet – tenzij ze aan een zonnige dag op de Bosbaan denkt. Ze trok na ‘Londen’ eerst vijf weken met haar vriend door de bergen van Nepal en India, voordat ze twee tijdelijke banen had bij fysiotherapiepraktijken. Nu heeft ze het „niet heel druk”, zegt ze lachend. Haast met het vinden van een baan heeft ze ook niet. Dat komt doordat ze zeven maanden zwanger is.

Net als oud-zeiler Coster heeft De Haan zich gemeld bij Goud op de Werkvloer, een project van sportkoepel NOC*NSF en Randstad dat sporters helpt bij hun maatschappelijke ambities. „Ik heb tests gedaan en mijn cv bijgewerkt. Ik heb bewegingstherapie en fysiotherapie gestudeerd, maar wil me niet beperken. Ik sta open voor banen in de hele gezondheidszorg. Als roeier zat ik ook altijd in ploegen, dat zoek ik nu weer. Ik zou niet in mijn eentje op een kamer willen zitten.”

Winnaarsmentaliteit

De drie oud-sporters mogen als dertigers dan ‘oude nieuwkomers’ op de arbeidsmarkt zijn, ze hebben werkgevers ook extra’s te bieden. De Haan: „Uit tests blijkt dat ik resultaatgericht ben, ik wil graag steeds ergens naartoe werken.” Ook Coster zegt: „Wat ik meebreng, is winnaarsmentaliteit, doorzettingsvermogen en voortdurend zicht op het doel.” En Elling: „Werkgevers vinden het ook leuk een naam binnen te halen, als uithangbord en stimulans.”

Topsport, het is een speciaal vak. Maar laten we het niet al te bijzonder maken, bepleit Elling. „Wie een midlifecrisis heeft of zijn droombaan verliest, kan hetzelfde voelen als een oud-topsporter: even is hun identiteit en respect weg. Het is goed dat sportbonden zich steeds meer bewust worden van de impact van stoppen. Met vroegtijdige begeleiding is de stap veel minder zwaar. Maar topsporters, en zeker talenten van wie nog niet zeker is of ze de top halen, moeten dat ook willen.”

Elling sprak voor haar onderzoek met oud-topsporters die over Olympische Spelen van jaren geleden spraken alsof het gisteren was. Dat zal Coster niet gebeuren. „Als je denkt dat niets je meer zo’n intense kick zal geven als topsport, zul je dat altijd met je meedragen. Laat het los. Dit werk geeft me net zo goed een kick als zeilen, alleen een andere. Accountmanager is wat ik nu doe, het zeilen doe ik nu voor mijn plezier, met een biertje na afloop.”