Oude Playboys en vernieuwend design

Met acht kleine tentoonstellingen wil het Nieuwe Instituut in Rotterdam duidelijk maken wat de plannen voor de toekomst zijn.

Het lijkt een allegaartje, de acht minitentoonstellingen die Het Nieuwe Instituut in Rotterdam presenteert onder de titel De Ruïne. Wat hebben oude artikelen over architectuur uit de Playboy te maken met ambachtelijk Weens glaswerk? En wat doen die maquettes van het Rotterdamse stadhuis ertussen, of die paraplu die zorgt dat je onopgemerkt door satellieten en drones over straat kunt?

Het Nieuwe Instituut ontstond in januari uit een door het Rijk opgelegde fusie tussen het Nederlands Architectuurinstituut, Premsela (Nederlands Instituut voor Design en Mode) en Virtueel Platvorm (kennisinstituut voor e-cultuur). De drie kregen 7,8 miljoen euro subsidie. De medewerkers zijn sindsdien gehuisvest in het NAi-gebouw aan het Museumpark en werken daar onder leiding van de nieuwe directeur, Guus Beumer, aan een nieuw programma.

De Ruïne is hun eerste presentatie. De titel verwijst volgens de makers niet alleen naar „een onontkoombaar verleden, maar tegelijkertijd naar een even onafwendbare toekomst”. Met dat verleden wordt gedoeld op de taken die het instituut heeft geërfd van zijn voorlopers, zoals het beheren van de collectie van het NAi en het maken van exposities. Daarnaast kwamen er taken bij, de toekomstdromen van het kabinet-Rutte I, zoals het aanjagen van de creatieve industrie in Nederland.

Ook heeft directeur Guus Beumer eigen ambities: hij wil meer halen uit de 15 kilometer archief die zijn instituut beheert, door er onderzoek naar te laten doen en hierop nieuwe tentoonstellingen te baseren. Verder wil hij een studio oprichten waar architecten en ontwerpers op zoek gaan naar oplossingen voor maatschappelijke problemen, zoals de toekomst van het landschap en de zorg.

De Ruïne biedt voorproefjes van dit alles. Vijf presentaties zijn fragmenten van recente exposities van zusterorganisaties in binnen- en buitenland. Drie minitentoonstellingen zijn gemaakt door het instituut zelf.

Nieuw is bijvoorbeeld Schmuck, een minitentoonstelling door kunsthistorica en sieradenkenner Marjan Unger. Zij wil laten zien dat vraagstukken die in de vorige eeuw een rol speelden bij het ontwerpen van sieraden, zoals het geslacht van de drager, draagbaarheid en dure materialen versus goedkope, nog steeds een rol spelen in ontwerpdisciplines zoals social design. Zo wil Het Nieuwe Instituut het ook doen: de praktijk koppelen aan theoretische discussies die de disciplines overstijgen.

City Hall laat weer een heel andere kant van het instituut zien, die van het archief. Daarin bevinden zich ontwerpschetsen, bouwtekeningen, foto’s en andere documenten over architectuur. Maar ook 1.300 maquettes, zoals die van het Rotterdamse Stadhuis. Deze lagen bijna honderd jaar te verkommeren op het stadhuis, tot het NAi ze enkele jaren geleden verwierf en restaureerde.

Beumer heeft inmiddels met onder meer de TU Delft afspraken gemaakt over onderzoeksprojecten, onder meer naar het structuralisme en materiaalgebruik. Daarover zullen vervolgens tentoonstellingen worden gemaakt.

Een fragment van een expositie die al elders te zien was, is Playboy Architecture, 1953-1979. Deze ontwerpen voor sexy huizen voor single mannen was tot februari te zien in Bureau Europa, de dependance van het NAi in Maastricht waarvan Beumer artistiek directeur was. Het heeft Het Nieuwe Instituut geïnspireerd om zelf ook utopische huizen te ontwerpen. Vanaf 2014 zal er naast het gebouw een reeks tijdelijke huizen verrijzen die een actueel antwoord vormen op de naburige Museumwoning Sonneveld en Museum Chabot.

De minitentoonstellingen ontrollen zo de agenda van Het Nieuwe Instituut, waarbij ‘innovatie’ het verbindende woord blijkt te zijn.

De Ruïne, Het Nieuwe Instituut, Rotterdam. Inl: hetnieuweinstituut.nl