Column

Maakt Opstelten het nu niet wat te bont?

Hij weet niet van ophouden. En hup, daar stuurt minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) weer een wetsontwerp, wetgevingsbrief of consultatie over nieuwe faillissementswetgeving of faillissementsfraude naar de Tweede Kamer. Boven berichten van zijn ministerie staan koppen als deze. ‘Opstelten: net sluit zich rond malafide bestuurders.’

De omstandigheden zijn ernaar. Faillissementen staan op recordhoogte (rond 10.000 per jaar). De maatschappelijke roep om bestijding van fraude is luider dan ooit. Het succes van de veroordeling van zakenman Joep van den Nieuwenhuyzen wegens faillissementsfraude smaakt naar meer. Maar schieten Opstelten en zijn ambtenaren nu niet door?

In de vorige week gepubliceerde memorie van toelichting op de strafrechtelijke aanpak van faillissementsfraude komt Opstelten met een opmerkelijke uitbreiding. Je hoeft als ondernemer niet failliet te gaan, om justitie achter je aan te krijgen.

Faillissementen zijn een kostenpost, met fraude erbij is het een dubbele strop. Schuldeisers worden benadeeld. Sociale premies en belastingschulden blijven onbetaald. Aanpakken! Maar, de minister wil meer. Nog grotere gevolgen zijn er, zo schrijft hij in de toelichting op het wetsontwerp, als de „Staat financieel moet bijspringen om rechtspersonen (zoals banken woningcorporaties) overeind te houden wier ondergang in het kader van het algemeen belang moet worden voorkomen”.

Wat weet de minister dat wij nog niet weten?

Ja, diverse banken zijn met kapitaalinjecties gered. Enkele zullen dat met rente terugbetalen. ABN Amro en SNS Reaal zijn twijfelgevallen.

Maar woningcorporaties? Zij redden elkaar, zoals gisteren met 118 miljoen euro voor kleine broeder WSG (Geertruidenberg). De redding van moloch Vestia vorig jaar kostte hun 675 miljoen. De minister van Volkshuisvesting hielp, maar gaf geen geld. Of zit er een kapitale calamiteit in de pijplijn die de financieel uitgeputte corporatiesector zelf niet meer aan kan?

Toch wil Opstelten ook reddingsacties à la ABN Amro, SNS, Vestia en WSG in het vervolg strafrechtelijk laten onderzoeken. Ook al is er geen faillissement omdat bedrijven door de overheid of door private partijen van de ondergang worden gered en ook al werkt de dosis extra strafrecht bij faillissementsfraude evenmin, de minister wil doen alsof zij wél bankkroet zijn. Want: mogelijk is er sprake van „wanbeheer of frauduleus handelen”.

De minister wil ingrijpen, maar hij maakt twee fouten. Eerst een denkfout. Wie geen deugdelijke administratie voert of de zaak heeft geflest, vindt geen nieuwe financier die het bedrijf wil redden. Die flessentrekker kan nu al aangepakt worden. En wanbeheer? Dat kan een goed argument zijn om een onderneming te kopen: slecht bestuurd, naar de rand van de afgrond geleid, maar in de kern (producten, klanten) aantrekkelijk en winstgevend te maken. Maar: zijn (grove) fouten niet ook onderdeel van het vrije ondernemerschap? Bovendien: tegen wanbeleid bestaat al adequate civielrechtelijke wet- en regelgeving.

De tweede denkfout is de praktische uitvoering. Opstelten denkt de benodigde informatie te krijgen via politie, FIOD of Belastingdienst. Zou het? Zou de fiscus justitie onder de nieuwe wetgeving hebben getipt over het dreigende echec van Vestia? En áls dat zou gebeuren, áls de tips zich opstapelen, heeft justitie dan de mankracht en het geld voor onderzoek en rechtsgang? In de Volkskrant zei voorzitter Robert van Galen van de vereniging van ‘beroepscuratoren’ Insolad: de wet wijzigingen „kost niet zo veel. Maar ik zou veel meer onder de indruk zijn als er geld beschikbaar kwam voor opsporing en vervolging.” Ik ook.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.