In auto met coke naar de kapper

Onder het mom van een gewone verkeerscontrole vonden agenten cocaïne in de huurauto van een Albanees. Maar stond hij de fouillering wel toe?

De rechercheurs hoorden de Albanese automobilist natürlich zeggen, dus begonnen ze zijn auto te kontrollieren zoals ze hem hadden gevraagd. Dat kan niet kloppen, zei de Albanees gisteren tegenover de Amsterdamse rechtbank, hij spreekt namelijk geen Duits. En ook geen Nederlands of Engels. Hij had geen toestemming gegeven zei hij, om zich te laten fouilleren of de auto te doorzoeken.

En toestemming, daar draait het allemaal om. De Albanees is namelijk in april van dit jaar staande gehouden bij een zogenoemde ‘dynamische controle’: een gerichte recherchemethode, vermomd als alledaagse verkeerscontrole. Rechercheurs tooien zich met de uitrusting van de verkeerspolitie, maar nadat ze de bestuurder om rijbewijs en autopapieren hebben verzocht – anders is hun optreden onrechtmatig – vragen ze of ze mogen fouilleren en doorzoeken. Met die tweede stap begeven zij zich buiten de routine van de verkeerscontrole en dat mag, mits ze op dat moment een redelijke verdenking koesteren dat de automobilist een strafbaar feit heeft begaan.

De methode van misleiding is bedacht door rechercheurs van het Amsterdamse bureau zware criminaliteit, die hem „efficiënt en effectief noemen”. Zij hebben aan collega’s in het hele land les gegeven in de „verkeerscontrole met een opsporingsbril”. In een instructie staat gedetailleerd beschreven hoe beroepscriminelen, in de veronderstelling dat ze bij een gewone verkeerscontrole staan, al keuvelend met de agenten meer over zichzelf prijsgeven dan zij willen en hoe ze zich laten verleiden om toestemming te geven tot verder onderzoek aan kleding en auto. Soms zelfs als er wapens of drugs in liggen. Zoals de kilo cocaïne in de auto van de Albanees.

Klagen over de methode is zinloos, weet advocaat Maarten Pijnenburg, die de Albanees bijstaat. In tal van vonnissen van rechtbanken en gerechtshoven is die overeind gebleven. Maar er zijn twee kwetsbare plekken in de methode: de verdenking en de toestemming. Pijnenburg mikte gisteren op beide. Volgens hem was de verdenking bij de rechercheurs gewekt door het voorkomen van de bestuurder die volgens de eerste observatie in het proces-verbaal „een Slavisch danwel Albanees uiterlijk had”. Toen ze het kenteken lieten natrekken met het anpr-systeem voor nummerplaatherkenning, kregen de agenten naar eigen zeggen „een hit”: de auto was gehuurd. „Maar het gaat hier om een respectabel verhuurbedrijf”, aldus Pijnenburg, die meende dat dit geen redelijk vermoeden van schuld kon opleveren. En dat de Albanees vier mobiele telefoons bij zich had, zagen de agenten pas toen ze de auto al aan de kant hadden gezet.

Op het punt van de toestemming was de advocaat nog stelliger: „In het proces-verbaal is de werkelijkheid verdraaid”, zei hij tegen de rechters. De officier van justitie kon zich het niet voorstellen. Hij vond dat de Albanees „een vorm van toestemming” had gegeven. Hij was immers naar Amsterdam gekomen zonder een „gangbare taal” te spreken, had zijn armen gespreid toen de agenten aanstalten maakten hem te fouilleren en had niet geprotesteerd toen ze de auto doorzochten. De eis: achttien maanden cel.

Pijnenburg vroeg om vrijspraak of op zijn minst strafvermindering, maar zei na afloop dat hij er niet gerust op was. De ondervraging van de rechters was „erg wantrouwig”. En de antwoorden van de Albanees leken weinig van dat wantrouwen te kunnen wegnemen. Dat hij een auto leende om in Amsterdam naar de kapper te gaan – kan. Maar dat hij de auto leende van een Albanees in een café, van wie hij alleen de voornaam wist en geen idee had waar die woonde... Daar komt bij dat de auto gehuurd blijkt te zijn door een vuurwapengevaarlijke Marokkaan. En dan is er nog de cocaïne, in een tas waar geen enkele vingerafdruk op staat. „Meneer lijkt me niet zo onschuldig als hij voorwendt”, zei de officier.