Een paar miljoen extra voor goedkope kleren

Morgen is het 100 dagen geleden dat fabriek Rana Plaza instortte Bedrijven als H&M gaan nu bijdragen aan de veiligheid Maar de arbeiders merken er nog weinig van

Als je écht zeker wilt weten dat je bikini niet onder slechte omstandigheden is gemaakt, kun je eigenlijk maar één ding doen: geen bikini kopen. Foto Novum

Verslaggever

Nu zou alles anders worden – zó kon het niet langer doorgaan. ‘We’ moesten dit niet langer accepteren. Dat was in ieder geval het sentiment, direct nadat kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh was ingestort, morgen honderd dagen geleden.

Het gebeurde in de ochtend. Vrijdag 24 april om negen uur stortte het acht verdiepingen hoge gebouw nabij hoofdstad Dhaka met veel lawaai in elkaar. Langzaam zichtbaar wordende scheuren in de muren een dag eerder, waren geen reden geweest voor evacuatie van de ongeveer vijfduizend werknemers. Ze konden gewoon doorwerken, vonden de fabriekseigenaren. Volgens de laatste telling heeft die inschatting aan 1.129 mensen het leven gekost.

Tussen de brokstukken werden niet alleen doden en gewonden aangetroffen. Activisten die het rampgebied binnendrongen vonden er labels die verraadden voor wíé die fabrieksarbeiders eigenlijk aan het werk waren. Rana Plaza, zo bleek, produceerde kleding voor zo’n veertig Europese en Amerikaanse afnemers. En geen kleintjes: onder meer H&M, C&A, Primark, Mango en Walmart.

Daarop draaide de spot weg van het rampgebied. Recht in het gezicht van de westerse kledingketens. Want hoe konden deze bedrijven fabrieksarbeiders in zo’n gevaarlijk gebouw laten werken? Wisten ze het niet? Of, nog erger, kon het ze niet schelen? Echte antwoorden kwamen niet. Beschroomd bogen de bedrijven het hoofd en beloofden beterschap.

Mogen wij toch meedoen?

Nu, honderd dagen later, zijn de emoties wat afgevlakt. De 5.400 Bengaalse kledingfabrieken draaien onveranderd door en kleding met ‘Made in Bangladesh’ op het label wordt nog gewoon verkocht. Wat is er eigenlijk van de goede voornemens terechtgekomen?

Het is in ieder geval niet zo dat alle kledingfabrieken in Bangladesh nu in de steigers zijn gehesen voor groot onderhoud. Er is de afgelopen maanden vooral een hoop op papier gezet.

Maar wel met enig succes: haastig sloten een paar grote ketens zich aan bij een internationale overeenkomst voor meer veiligheid in Bengaalse fabrieken, het ‘Accord on Fire and Building Safety’. Twee jaar geleden, toen Clean Clothes Campaign dit akkoord opstelde, lieten kledingbedrijven het nog massaal afweten. Half mei, binnen drie weken na de ramp, kwamen bekende bedrijven zich ineens melden: onder meer H&M, C&A, Primark en Inditex, het moederbedrijf van Zara. ‘Mogen wij tóch meedoen?’

„Een doorbraak”, zegt Niki Janssen, campagnemedewerker van Clean Clothes Campaign, een internationale organisatie die zich inzet voor betere omstandigheden in de textielindustrie. Want het akkoord is „niet zomaar een papiertje”, zegt ze. Het Accord on Fire and Building Safety is bindend en verplicht de ondertekenende bedrijven financieel bij te dragen aan verbeterde veiligheid in de fabrieken, door inspecties, renovaties en reparaties.

Concreet: de deelnemende bedrijven moeten tot een half miljoen euro per jaar betalen, afhankelijk van hoeveel kleren ze laten produceren in Bangladesh. Inmiddels doen er tachtig bedrijven mee – vooral Europese.

Dat klinkt als een goed begin. Maar lang niet alle grote spelers doen mee. Zo hebben de Amerikaanse kolossen Walmart en Gap eerder deze maand hun eigen akkoordje gesloten, samen met vijftien landgenoten: de ‘Alliance for Bangladesh Worker Safety’. Zij beloven 42 miljoen dollar te investeren in de veiligheid van Bengaalse fabrieksarbeiders. Dat klinkt indrukwekkend, maar het heeft volgens critici weinig om het lijf. Dit akkoord is namelijk niet bindend. Wie toch geen zin heeft, is nergens toe verplicht.

Ook een handvol Nederlandse bedrijven die uit Bangladesh importeren hebben het ‘Europese’ akkoord ondertekend. Onder meer Hema, Zeeman en G-Star. Maar veel meer Nederlandse bedrijven hebben dat niet gedaan. „Vijf van mijn leden hebben ondertekend”, zegt directeur Jef Wintermans van Modint, een brancheorganisatie voor Nederlandse kledingbedrijven. Volgens hem laten zo’n honderd van zijn leden kleding produceren in Bangladesh. Modint vertegenwoordigt naar eigen zeggen 80 procent van de Nederlandse kledingbedrijven, gemeten in omzet.

Welke Nederlandse bedrijven het akkoord niet ondertekenden, wil Wintermans niet zeggen. „Dat zou een verkeerde indruk wekken.” Want het is niet dat ze allemaal niet willen, zegt hij. „Het is voor deze bedrijven nog volstrekt onduidelijk hoeveel ze zouden moeten betalen. Dan zeg je als ondernemer niet: kom maar hier, ik teken wel.”

Wetswijziging is slechts eerste stap

De westerse kledingketens zijn natuurlijk niet alleen verantwoordelijk voor de veiligheid en arbeidsomstandigheden in kledingfabrieken. Ook Bangladesh zelf moet wat doen. Al jaren zetten internationale organisaties druk op de Bengaalse regering om de wet op dit punt te verbeteren. Zonder resultaat. Tot twee weken geleden – na de ramp in Rana Plaza bleek de wet wel te kunnen worden aangepast. Door de wijziging worden meer eisen gesteld aan de veiligheid en krijgen werknemers meer rechten om zich te verenigen.

Maar voldoende is het nog niet, vindt de internationale arbeidsorganisatie ILO – onderdeel van de Verenigde Naties. De wetswijziging is een „eerste stap”, schrijft de organisatie diplomatiek in een reactie. Maar niet genoeg. De wetswijziging „schiet tekort” om Bangladesh écht aan de internationale arbeidsstandaarden te laten voldoen.

Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch is nog kritischer. Volgens de organisatie blijft het voor de fabrieksarbeiders nog steeds bijna onmogelijk om een vakbond op te richten – en dus om gezamenlijk op te komen voor hun eigen veiligheid. „Zélfs niet na Rana Plaza”, verzucht Phil Robertson, adjunct-directeur Azië van Human Rights Watch, aan de telefoon uit Bangkok. „De macht ligt volledig bij de fabriekseigenaren. En de werknemers kunnen er niks tegen beginnen.”

In internationale kantoren – met goede fundering – is de afgelopen maanden wat afgepraat. Aan onderhandelingstafels zijn voornemens uitgesproken. Goede voornemens. En een paar afspraken gemaakt. Maar voor de vier miljoen fabrieksarbeiders in Bangladesh is daar honderd dagen na het instorten van Rana Plaza nog weinig van te merken.