Column

Een hel

Het zijn de beproefde ingrediënten waaruit Dan Brown zijn nieuwste boek Inferno heeft opgebouwd: kunstwerken met verborgen boodschappen, oude gebouwen met geheime gangen op de meest aantrekkelijke locaties (Florence, Venetië, Istanbul), een wetenschappelijke gek die uit is op de ondergang van de wereld, een pseudomilitaire jacht in de Middellandse Zee, een hyperintelligente gevaarlijke blondine (deze keer met een pruik) en de in tweed geklede professor Langdon, die ondanks zijn wereldvreemdheid alle raadsels oplost. Voeg daarbij slim gedoseerde verhaallijnen waardoor ieder hoofdstuk minstens een cliffhanger bevat, and we are in business.

Want business is het, deze populaire vakantieliteratuur. De eerste Amerikaanse druk van uitgever Doubleday, in mei van dit jaar, bedroeg al vier miljoen exemplaren. Van Browns eerdere boek, The Da Vinci Code, zijn ondertussen tachtig miljoen exemplaren verkocht. Een blockbusterfilm volgt. Browns boeken passen in de traditie van Harry Potter (in totaal 450 miljoen exemplaren) of Vijftig Tinten Grijs (meer dan 70 miljoen) – een trend die het op zijn gunstigst gezien mogelijk maakt echte literatuur te financieren. Tegen dit soort thrillers, al of niet gelardeerd met sciencefiction en erotiek, is niet veel in te brengen. Wellicht zetten ze ook nog mensen aan het lezen die anders niet zo snel een boek pakken.

Mijn bezwaren tegen Inferno zijn van een andere aard. Brown heeft meer pretenties dan het schrijven van een spannend boek. Hij doorspekt zijn verhaal met culturele, kunsthistorische en wetenschappelijke uitweidingen, met kerkvorsten, doges, en Dante in de hoofdrol – zozeer dat het af en toe een reisgids lijkt voor de cultuursnob (die een groeiend deel van de wereldwijde middenklasse omvat, van de VS en Europa tot Korea en Japan; vandaar zijn succes). De historische nauwkeurigheid staat in schril contrast tot de wetenschappelijke kant van het verhaal. De kunstgeschiedenis is namelijk slechts het vehikel voor de werkelijke plot, die draait om een waanzinnige geneticus, Zobrist, die beweert dat door de bevolkingsexplosie de mensheid op het punt staat zich in de afgrond te storten. Er moet dus drastisch ingegrepen worden in de bevolkingsaantallen, en wel onmiddellijk. Het komt neer op de helft elimineren om de menselijke soort te redden. Hij voert daarvoor de bekende oude neomalthusiaanse argumenten aan. De draagkracht van de aarde is onvoldoende, overbevolking zal leiden tot een oorlog van allen tegen allen en meer van dergelijke apocalyptische taal, die natuurlijk dankbaar door Brown verbonden worden met schilderijen van de hel en andere rampspoed. Dat uitgangspunt is volslagen onzin, want de wereldbevolking groeit helemaal niet „exponentieel”; de groeisnelheid is spectaculair afgenomen en de meeste deskundigen verwachten nog deze eeuw een stabiele wereldbevolking, met Afrika als mogelijke uitzondering.

Zobrists inspiratie is de Zwarte Dood, de veertiende pestepidemie waaraan uiteindelijk meer dan een derde van de Europese bevolking kwam te overlijden. Hij noemt dat het „uitdunnen van de kudde” waardoor er weer voldoende voedsel beschikbaar zou komen. Sterker nog, we zouden de Renaissance te danken hebben aan de Zwarte Dood. Dat is onjuist, alleen al chronologisch: de aanzetten voor de Renaissance, waarvan de bloei plaatsvindt vanaf het midden van de veertiende eeuw, bestonden al lang voor de pestepidemie zich uitbreidde. Maar bovendien klopt de redenering niet: de drastische vermindering van het aantal mensen verhoogde niet de voedselbeschikbaarheid, maar verlaagde juist het aantal arbeidskrachten waardoor er zelfs enige tijd minder voedsel beschikbaar kwam. Hoe de ontdekking van de klassieken en het humanisme zouden voortkomen uit sociale ontwrichting door een pandemie, en hoe er nu opnieuw een renaissance zou ontstaan, blijft onvermeld.

De pest, via de Zijderoute afkomstig uit China, werd veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis die wordt overgedragen door knaagdieren zoals ratten. Geïnfecteerde mensen kunnen de ziekte ook overdragen via niezen. Brown maakt hiervan een potpourri omdat tot de allerlaatste bladzijden de suggestie is dat Zobrist de ziekte via de waterleiding wil verspreiden. Uiteindelijk blijkt dat het niet gaat om de pest, maar om een „DNA-altering viral vector” waarmee een gen voor steriliteit zou worden ingebracht die bij een derde van de mensen tot expressie zou komen. Het gen blijkt al via inhalering tijdens een serie concerten in Istanbul in een week tijd de volledige wereldbevolking te hebben besmet. Afgezien van deze pertinente onzin, is het meest schokkende dat de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (markant detail, een onvruchtbare vrouw) op het einde haar oppositie tegen Zobrist laat vallen. Ze is het weliswaar niet eens met zijn methoden, maar „zijn oordeel over de status van de wereld is correct.”

Voorts wordt de troebele conclusie getrokken dat genetische manipulatie logisch onderdeel is van de evolutie en leidt tot betere mensen. Dat gedachtegoed is afkomstig uit het transhumanisme, een echt bestaande dubieuze beweging die in extreme vorm geen middel schuwt om de soort te verbeteren. Het had Brown gesierd als hij zorgvuldiger research had gedaan en de walm van eugenetica die rond het boek hangt, had vermeden.

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster. Zie ook louiseofresco.com.