Cees Nooteboom 80 jaar: ‘Duitsland veranderde mijn leven’

Romancier, reisschrijver en dichter Cees Nooteboom wordt vandaag tachtig jaar oud. Hij doet nog steeds waar hij zo’n zestig jaar geleden mee begon: zwerven, reizen, schrijven. ‘Ik heb nooit een plan gehad, maar er was ook geen plan om geen plan te hebben. Ik heb het gewoon gedaan.’ Dat leven brengt Nooteboom, die 59 jaar geleden

Cees Nooteboom in 2004 met de P.C. Hooftprijs, de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs/ Foto ANP

Romancier, reisschrijver en dichter Cees Nooteboom wordt vandaag tachtig jaar oud. Hij doet nog steeds waar hij zo’n zestig jaar geleden mee begon: zwerven, reizen, schrijven. ‘Ik heb nooit een plan gehad, maar er was ook geen plan om geen plan te hebben. Ik heb het gewoon gedaan.’

Dat leven brengt Nooteboom, die 59 jaar geleden met Philip en de anderen debuteerde als romancier, tot over de hele wereld. Dit jaar brachten Nooteboom en zijn vrouw, fotografe Simone Sassen, in totaal slechts achttien dagen door in hun huis in Amsterdam. Vanwege de Spaanstalige uitgave van Brieven aan Poseidon reisde Nooteboom in een moordend tempo. Boekenbeurs in Bogotá en Buenos Aires, in Mexico zeventien interviews in twee dagen. Maar er was ook tijd voor zichzelf. Met zijn vrouw bezocht Nooteboom het Chileense eiland Chiloé. Daar reden ze dagenlang door de Atacama-woestijn in het noorden van dat land.

In gesprek met Margot Dijkgraaf voor NRC Boeken (interview stond afgelopen vrijdag in de Boekenbijlage) zegt Nooteboom zijn hele leven lang gedaan te hebben wat hij wilde, ‘ook als wist ik niet precies wat ik wilde doen’. Hij werd van zijn kloosterscholen gestuurd, maakte het gymnasium niet af, ging op zijn zeventiende uit huis. Na een paar jaar gewerkt te hebben bij de Rotterdamsche Bank vertrok hij. Met driehonderd gulden van een oude tante. Het leven dat zich daarna voltrok ziet Nooteboom als een ’onafgebroken eindeloze baan’:

“Ik doe nog steeds hetzelfde als toen ik voor het eerst ging liften naar Italië en Spanje. Als ik ergens word uitgenodigd, zorg ik altijd dat ik tijd neem voor een reis waarbij ik niemand zie. Geen interview, niks. Dat is vrijheid.”

Dat vele reizen heeft volgens de schrijver ook zijn nadelen. Hoewel Nooteboom regelmatig publiceerde in El País, in Le Monde, in Die Zeit, is hij minder terug te vinden in Nederlandse kranten. De verhouding met Nederland is niet altijd gemakkelijk. Nooteboom zegt het idee te hebben er niet echt bij te horen als je altijd weg bent:

„Een Braziliaanse ambassadeur verruilde haar post in Parijs voor Nederland. Bij haar kennismakingsbezoek aan Buitenlandse Zaken vertelde ze trots dat ze een boek van een Nederlands auteur heel mooi had gevonden, Het volgende verhaal. Ja, zei haar gesprekspartner, het schijnt dat buitenlanders daar iets aan vinden. Soms hoor ik dat ik zou vinden dat ik miskend ben, maar dat is onzin. Men heeft niet altijd begrepen waar ik mee bezig was, maar uiteindelijk heb ik alle belangrijke prijzen gekregen, en ik heb mijn eigen trouwe lezers. Aan de andere kant, ik heb vaak geen podium voor mijn stukken. NRC Handelsblad bijvoorbeeld heeft over de jaren minstens acht keer een stuk van mij geweigerd.”

Nooteboom zegt dat hem nu nog wordt nagedragen in de jaren zestig reisverhalen te hebben geschreven voor het blad Avenue:

„Hoe kun je voor zo’n blad schrijven als je weet dat op de achterkant van de pagina een advertentie staat voor dameslingerie, werd me toen verweten. Dat waren dezelfde mensen die nu een krant maken waarin ze tweehonderd woorden aan een dichtbundel mogen wijden, dezelfde mensen die nu elke zaterdag een pond rommel door je brievenbus gooien met bijlagen over lifestyle, koken, mode en allerlei ‘ikkigheden’ over mensen in wie je niet geïnteresseerd bent. De bijlagen zijn een verlengstuk van de commercie geworden. Als de kranten niet uitkijken verdwijnen ze met het zog mee, in al hun pogingen om iedereen te plezieren.”

Duitsland, waar hij volle zalen trekt en hij al vele prijzen kreeg, draagt Nooteboom daarentegen op handen. Het was dan ook dat land dat, samen met literair criticus Marcel Reich-Ranicki, het leven van Nooteboom veranderde:

Het volgende verhaal (Boekenweekgeschenk in 1991) werd in Nederland lauw ontvangen. Maar in Duitsland zei de grootste tv-criticus dat het het beste boek was dat hij dat jaar had gelezen, eraan toevoegend dat hij niet wist of hij het helemaal begrepen had. Dat deed het ’m. Siegfried Unseld (uitgeverij Suhrkamp, red.), aan wie ik Poseidon heb opgedragen, deed de rest. Unseld was een uitgeefgenie, hij was spijkerhard, zijn motto was ‘wij bestaan niet zonder schrijvers’. Dat zijn ze hier en daar helemaal vergeten.”

De dood houdt Nooteboom niet heel erg bezig. „Ik heb de laatste jaren veel vrienden zien gaan. Het zou een leugen zijn om te zeggen dat ik ernaar uitkijk.” Het gaat de auteur om de toekomst. De zomer op Menorca, in het najaar weer naar Venetië om verder te werken aan een boek over die stad, begin volgend jaar naar Cartegena de Indias in Colombia, en dan naar de uiterste zuidpunt van Chili. Het vervolg van een, zo zegt Nooteboom, ‘eigenaardig leven’:

“Ieder jaar verplaatsen we ons drie keer. Een paar maanden in de sneeuw in Duitsland, in de zomer op Menorca en dan Amsterdam. Tegenwoordig is die overgang niet meer zo makkelijk, het gesleep met boeken. Maar als je er eenmaal bent, ben je gewoon weer terug. Op al die plekken zijn mensen die we kennen, met wie we goed zijn: de Duitsers aan de overkant die voor de stal zorgen, mijn Spaanse buurman die bij de brandweer werkt. Zij zijn dan nog steeds hetzelfde aan het doen, net als ik, alleen ik ben steeds ergens anders. De vrouw met die ene tik staat nog in het café, de jongen bij de viswinkel maakt de haringen schoon. Die mensen hebben allemaal hun eigen leven. Toch lijkt het dan alsof je zelf meer levens hebt, terwijl dat natuurlijk niet zo is.”

En hij blijft dromen, biecht Nooteboom op aan Dijkgraaf:

“Mijn droom? Een huis, mijn huis, met de Pléiade om me heen, eindelijk de hele Saint-Simon lezen. En schrijven natuurlijk, dat krijg je er niet meer uit. Het zal wel een onhaalbare droom blijken, want dan moet je een huis vinden met rechte muren voor al die boeken. En dan, op termijn, op mijn eigen voorwaarden, eruit. Mijn grootvader zei altijd ‘het eind zal de last dragen’. En zo zal het wel zijn.”