Politieonderzoek als één grote oefening in misleiding

Recherchewerk vermomd als een ‘toevallige’ verkeerscontrole, op plekken als het Stadionplein. Deze aanpak in Amsterdam is succesvol.

De openbare parkeerplaats op het Stadionplein in Amsterdam is volgens de recherche een van de ontmoetingsplaatsen voor beroepscriminelen. Foto Maurice Boyer

„We mogen vaak meer dan we veronderstellen.” Met die woorden sluiten twee Amsterdamse rechercheurs een lezing over de zogenoemde dynamische verkeerscontrole af. Ze houden hun collega’s daarin voor dat ze onder het mom van verkeerscontroles recherchewerk doen. Of, in hun eigen woorden: „Verkeerscontroles worden uitgevoerd met een opsporingsbril op.”

Het is een effectieve recherchestrategie, zeggen ze. Er zijn vuurwapens, drugs en grote hoeveelheden cash mee onderschept. Er zijn criminelen mee aangehouden en er is veel informatie over hen verzameld. En de strategie is – na „vraagtekens” bij de recherche, en „enige verwondering” bij het Openbaar Ministerie – houdbaar gebleken voor de rechter.

De rechercheurs stellen op grond van jurisprudentie vast dat, zolang de agenten in kwestie maar beginnen met vragen naar rijbewijs en autopapieren, de rechter in de regel de informatie die daarna is verzameld als bewijs accepteert. Immers: vragen staat vrij – een sleutelzin in de brochure die van de lezing is gemaakt.

De brochure dateert uit 2012 en is opgesteld door twee rechercheurs van het bureau zware criminaliteit van het Amsterdamse korps. Daar hebben ze de methode sinds 2004 ontwikkeld en haar vervolgens in de rest van de organisatie uitgedragen. De Nationale Recherche heeft les gekregen in de dynamische verkeerscontrole, net als de korpsen Noord-Holland Noord, Rotterdam-Rijnmond, Twente en Hollands-Midden – dat was de stand in 2012, toen de politiekorpsen nog niet waren omgesmeed tot één nationale politie.

Een woordvoerder van de nationale politie zegt desgevraagd dat de brochure nog altijd beschikbaar is via het politiekennisnet en dat de nationale politie in beginsel de beproefde methoden van de korpsen heeft overgenomen. Wel zegt hij dat de nationale politie nu expliciet aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd of de methode nog altijd houdbaar is. Het parket-generaal laat daarover weten dat „per casus” wordt getoetst of „een zogenoemde ‘dynamische verkeerscontrole’ binnen de wettelijke regels valt”.

De methode houdt in dat de politie een verkeerscontrole organiseert die geen verkeerscontrole is, maar een als „toevallige verkeerscontrole” vermomd, gericht rechercheonderzoek. Essentieel daarbij is dat de bestuurder en andere inzittenden vrijwillig toestemming geven voor fouillering van henzelf en doorzoeking van de auto.

De instructie is één grote oefening in misleiding. De setting is die van een verkeerscontrole, maar de rechercheurs raden in hun brochure aan de bestanden die doorgaans worden gebruikt bij ‘echte’ verkeerscontroles vooral niet mee te laten draaien bij deze acties, „omdat dergelijke bestanden hits opleveren die niet binnen onze doelstelling passen”.

„Het vorderen van rij- en kentekenbewijs is de enige juiste manier om een dynamische verkeerscontrole aan te vangen”, schrijven de rechercheurs. „Iedere andere manier, bijvoorbeeld het vragen naar een identiteitsbewijs, zal door de rechtbank worden beoordeeld als détournement de pouvoir.” Letterlijk betekent het machtsverdraaiing, het wil zeggen: een verbod voor bestuursorganen om bestuursbevoegdheden te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor ze gegeven zijn. Een agent die een auto staande houdt met het doel voertuig en bestuurder te controleren op grond van de Wegenverkeerswet (WVW), moet ook daadwerkelijk een verkeerscontrole uitvoeren. „Een kapotte richtingaanwijzer of een geconstateerde verkeersovertreding is een goede aanleiding voor een verkeerscontrole.”

De criminelen wordt zo een rad voor ogen gedraaid. Ze denken dat ze toevallig in de gebruikelijke, oppervlakkige verkeerscontrole verzeild zijn geraakt, wanen zich veilig en gaan joviaal in op de vragen die de politie nu eenmaal vrij staan.

Grofweg 80 procent van alle gecontroleerde personen geeft direct toestemming voor fouillering en doorzoeking, het overgrote deel doet dat na een tweede uitleg en enig aandringen alsnog. Ervaring leert dat „wanneer je op een ontspannen toon uitlegt dat je deze grondige controle doet om Amsterdam veiliger te maken, ook voor de bestuurder en inzittenden van de auto, je over het algemeen welwillend tegemoet wordt getreden”.

En dan kan zelfs gebeuren wat de rechercheurs niet helemaal kunnen duiden: ook mensen die wel degelijk drugs of wapens of grote hoeveelheden cash bij zich hebben, geven toch toestemming voor een doorzoeking. Misschien zijn ze „overdonderd”.

Was dat ook het geval bij de verdachte Albanees die vanmiddag voor de rechtbank van Amsterdam moet verschijnen? Hij werd op 13 april aangehouden in de wijk Osdorp, in een gehuurde Toyota. In het proces-verbaal schrijven de agenten een zin die ze rechtstreeks uit de instructie hadden kunnen halen: „Het is ons verbalisanten, mede op basis van eigen bevindingen en/of interne informatie ambtshalve bekend dat criminelen veelvuldig gebruik maken van huurauto’s/leaseauto’s.”

Op de vraag of hij drugs of wapens bij zich had, schudde de bestuurder van nee en hij wees daarbij volgens de verbaliserende rechercheurs op zijn lichaam alsof hij wilde zeggen: fouilleer me maar. Bij doorzoeking van de auto troffen ze een kilo cocaïne aan.

De crimineel, schrijven de rechercheurs in de instructie, is ook maar „een gewone ondernemer”, al houdt hij zich niet aan de wet. Ook de criminele ondernemer moet zijn netwerk onderhouden. En terwijl de gewone ondernemer zich via telefoon en mails kan verstaan met zijn netwerk, is de beroepscrimineel, uit angst voor afluisteren, aangewezen op persoonlijke ontmoetingen.

Daarom zijn beroepscriminelen vaak te vinden bij openbare parkeerplaatsen rond de ringwegen, bij wegrestaurants en tankstations, kantoren van woningbemiddelaars, autoverhuurbedrijven, vechtsportgala’s, spyshops en growshops. Rechercheurs in onopvallende auto’s signaleren hen daar en seinen collega’s in die voor de gelegenheid een uniform hebben aangetrokken en een opvallende politieauto hebben geleend van de verkeerspolitie.

Op grond van hun ervaring hebben de rechercheurs een rijtje kenmerken opgesteld hoe de crimineel te herkennen valt. Voor en tijdens de controle hebben ze contact met een backoffice, waar collega’s bestanden vergelijken met de antwoorden die de inzittenden geven.

De politie, zeggen ze met nadruk, mag ‘gewoon’ deze vragen stellen. „Wanneer de betrokkenen instemmen en toestemming geven, is de daaropvolgende fouillering en doorzoeking van de auto volledig rechtmatig [...]. Dit gaat zelfs op voor de gevallen waarin later bleek dat de basisbevoegdheid op grond waarvan toestemming was gevraagd, onterecht was toegepast. Toestemming is toestemming.”

De verkeerscontroles ‘met de opsporingsbril’ zijn niet onomstreden. De wettelijke basis voor de methode ligt in een combinatie van de Wegenverkeerswet en de Wet op de identificatieplicht. Advocaat Maarten Pijnenburg, die vanmiddag de Albanees bijstaat, vindt „dat de wegenverkeerswet wordt misbruikt voor opsporing. Die wet is voor een kapot achterlicht, niet voor een drugscontrole.”

In de brochure schrijven de rechercheurs dat „sommige zaken die voortkomen uit de dynamische controle tegen de grens van het juridisch toelaatbare aanzitten”. Zij raden hun collega’s aan „een officier van justitie te zoeken die het inzicht en de durf heeft die grenzen te verkennen”.

Advocaat Maarten Pijnenburg, die vanmiddag de Albanees bijstaat, zal proberen aan te tonen dat de rechercheurs zijn cliënt eerst en vooral verdacht vonden omdat hij „een Slavisch danwel Albanees uiterlijk had”, zoals de eerste observatie van de politieman in het proces-verbaal luidt. Daar is een van de grenzen van het juridisch toelaatbare. Bij de jurisprudentie die de rechercheurs in hun brochure aanhalen, zit een vonnis uit 2009. Daarin had de politieman in zijn proces-verbaal als reden voor de aanhouding opgegeven „dat de bijrijder aan de uiterlijke kenmerken voldoet van een Antilliaan”. En de politie weet, schrijven de instructeurs, weet „dat deze veelvuldig actief zijn in de criminaliteit”. Voor de rechtbank was het reden de verdachte strafvermindering te geven.