Ik hou van de Swiss Alpine, maar wat kan ik hem ook haten

Afgelopen weekend liep de Swiss Alpine, een slopende hardloopwedstrijd 78 kilometer. Hij moest worden afgevoerd naar de EHBO, een helikoptervlucht dreigde.

Om zeven uur staan we aan de start. Afgelopen zaterdag. Het is mijn tweede K78, het hoofdonderdeel van de Swiss Alpine. Een hardloopwedstrijd van 78 kilometer, bijna twee marathons. Dé ultraloop van Europa. Met 2.650 hoogtemeters: 2.650 meter stijgen en 2.650 meter dalen. Start en finish in Davos, Oost-Zwitserland. Hardlopend, wandelend, soms op handen en voeten. Ik weet nog hoe misselijk ik de vorige keer was, nadat ik de top had bereikt. En hoe pijnlijk de afdaling was naar de finish.

Angst voor wat komen gaat bepaalde de laatste dagen. De tweede keer is nog erger dan de eerste. Ik weet wat me te wachten staat. Ik hou van de Swiss Alpine, maar wat kan ik hem ook haten. De laatste nachten houdt de adrenaline me uit de slaap. Zaterdagochtend ben ik om zes uur in het atletiekstadion. Drinken, plassen, drinken. Lange rijen voor de wc’s, omdat ze te veel hebben gegeten. Uit angst.

Wachten in het startvak. Gejuich bij het startschot. Emoties bij de start. Het is onze Elfstedentocht. 1.200 lopers, uit vele landen. Mannen, vrouwen, van alle leeftijden. Ons feest. Maar als we eenmaal lopen is het ieder voor zich. Er wordt niet gepraat. Opperste concentratie.

In de eerste dertig kilometer moet je niets verspillen. Lopen met de handrem erop. Wie nu te hard loopt, komt zichzelf straks dubbel en dwars tegen. Alleen vooraan wordt gestreden om de overwinning. De rest loopt alleen langs zijn eigen meetlat. Jezelf bewijzen. Vaders met voorwaardelijke liefde lopen als schimmen met ons mee.

Om de Swiss Alpine te volbrengen moet je vooraf verschrikkelijk hard trainen. Ik train al jaren vijfmaal per week. De laatste zes maanden is de duur en de intensiteit van de trainingen danig opgevoerd. Ik maak weken van meer dan tien uur. Drie marathons, als training. Vooral zorgen dat je al die maanden heel blijft.

Maar heel bleef ik niet. Een longontsteking in februari. Al meer dan een jaar stekende pijn aan mijn voet. Drie paar nieuwe schoenen. Resultaat: een andere blessure. Elke week fysiotherapie. Ook in Zwitserland („Aah, Sie sind sportverrückt!”). Een lichtgroene tape houdt vandaag mijn linkerkuit bij elkaar. En mijn voet ga ik vergeten. Met paracetamol.

Hij is zwaarder dan de vorige keer

In het dorpje Filisur, na dertig kilometer, staan mijn vrouw Arda en mijn hond Bas langs de kant. Heerlijk om ze te zien, zoals later in de bergdorpjes Bergün en Sertig Dörfli. Het zijn bijzondere momenten. Maanden stonden in het teken van de Swiss Alpine. Alles moest ervoor wijken. Het schema was heilig. Vandaag 120 minuten intervaltraining, dan is het 120 minuten. Dan maar niet bij de buren op de koffie. Gedrevenheid. Loopverslaving. En daarmee moet je dan leven.

Bij Bergün voel ik me uitstekend, na veertig kilometer! Fris. Ik word overmoedig en bedenk dat ik eindelijk weet hoe je een ultraloop moet indelen. Vooral: nooit forceren. Als het hellinkje te steil is, gewoon even wandelen. Ontspannen lopen. Genieten.

Zo simpel laat de Swiss Alpine zich niet verslaan. Hij is duidelijk zwaarder dan de vorige keer. Ze hebben er 400 hoogtemeters en zeven sneeuwvelden tussen gemoffeld. En hoe mooi het boven ook is, het is bijna een luguber landschap. Met de grote besneeuwde toppen vlak naast ons, springen wij uren van steen naar steen.

Maar het ergste is de temperatuur. In Davos is het bijna 30 graden. In Rotterdam wordt bij dergelijke temperaturen de marathon afgelast. Bij ons worden slechts twee helikopters ingezet, om de gesneuvelden naar het ziekenhuis te brengen, of 1.000 meter lager in een weiland te droppen. In elke bergbeek zoeken we verkoeling, het water van de drinkposten wordt tot schrik van de vrijwilligers niet opgedronken, maar over het hoofd gegoten. En toch blijft het smoorheet.

Natuurlijk, de organisatie had ons vooraf gewaarschuwd. We moeten per uur minstens één liter drinken. Maar hoe doe je dat, als het lichaam zich daartegen verzet? Vijf kilometer na Bergün, en na 400 meter klimmen in een felle zon, gaat het licht bij mij plotseling uit. Weg is het genieten, weg is de euforie. In Tuors drink ik twee bekers, bouillon en energiedrank. Een kilometer verder in Chants weer. Maar nog een kilometer verder komt alles er weer ongemengd uit. Ik klim door naar de Kesch Hütte, met de zekerheid dat ik te weinig gedronken heb. Ik zie medelopers met vochttekort onderweg liggen. In het cellofaan, wachtend om door de helikopter van de berg te worden gehaald.

Cola houdt me op de been

Ik haal de Kesch Hütte wel. Om het drinken te bevorderen neem ik een banaan. Vijf seconden later, misschien tien, ligt hij in een blauwe emmer voor me. Ik word afgevoerd naar de EHBO, en een helikoptervlucht dreigt. Gelukkig is mijn buurman er slechter aan toe. Ik vraag om cola, dat pas bij de volgende drinkposten wordt geschonken. Ik drink een liter en knap er zienderogen van op. Een wazig moment wordt gepareerd met rozijnen. Na ruim een half uur kan ik weer door. Er is nog 33 kilometer te gaan. En 400 hoogtemeters.

De rest van de tocht houdt cola me op de been. En de verkoeling van bergbeken en sneeuwvelden. Na de Sertigpass dalen we nog 1.300 meter tot de finish. Het lichaam wil liggen, de geest wil naar de finish. Ze voeren samen een heftige strijd. Pas drie kilometer voor de finish, als de speaker van het stadion uit het dal is te horen, overwint de geest. Wandelen is niet meer toegestaan, ik loop. Ik loop hard! Ik passeer een tiental strompelende medelopers. Ik kom stuiterend van de endorfinen het atletiekstadion in. Na de finish stuiter ik nog even door. Het is inmiddels kwart voor acht ’s avonds. Wat houd ik van die Swiss Alpine! En ik weet het nu al: dit was niet de laatste keer.