Het gewelddadige spook verstopt zich niet meer

De rebellen van ADF leken een spook uit het verleden Tot diezelfde guerrilla’s deze maand tienduizenden Congolezen verjoegen richting West-Oeganda „Vlucht, of we zullen je vermoorden”

Redacteur Afrika

Het begon met het geluid van geweerschoten in de schemering van de vroege ochtend. Pastoor Wilson Ngoma stond met zijn stramme oude benen op van zijn matras en liep zijn hut uit om te zien wat er gebeurde. Op de onverharde weg door Kamango lag het levenloze lichaam van de lokale chief. Om hem heen stonden mannen, vrouwen en kinderen in legeruniform, gewapend met kalasjnikovs en machetes. „Ze zeiden: wij zijn van de ADF en we zijn gekomen om deze stad in te nemen”, vertelt Ngoma. „Vlucht, of we zullen je vermoorden.”

De ADF, dat zijn de rebellen van de zogeheten Geallieerde Democratische Krachten. Ngoma bedacht zich geen moment. Samen met zo’n 65.000 anderen vluchtte hij ruim twee weken geleden van Oost-Congo naar Oeganda, nadat de rebellen in tien dagen tijd vijf dorpen aanvielen en plunderden. Het geweld van de ADF, die al sinds 1996 opereert in Congo en Oeganda, draagt bij aan de toenemende onveiligheid in Oost-Congo. In het gebied is de staat ingestort en tientallen milities en rebellengroepen zijn er actief. Zo vecht het Congolese leger bij de economische hoofdstad Goma tegen de rebellen van M23. Een nieuwe brigade van de Verenigde Naties in Goma moet het opnemen tegen deze gewapende groepen: de eerste keer dat een VN-macht het mandaat krijgt om aan te vallen.

Gewelddadige groep

De ADF vormt volgens analisten niet zo’n grote bedreiging voor de stabiliteit van Oost-Congo als M23. Maar de geschiedenis van deze mysterieuze en zeer gewelddadige groep toont wel hoe moeilijk het is om een rebellenbeweging te verslaan die is geworteld in de lokale gemeenschap en een aandeel heeft in de oorlogseconomie.

Tot die fatale elfde juli hadden de inwoners van Kamango nog nooit rebellen gezien. Ze hadden wel beangstigende verhalen gehoord over milities die door de bossen zwierven. Maar de ADF heeft zijn bases hoog in de bergen, op enkele dagen lopen, en de strijd in Goma is honderden kilometers verderop. Tijd om spullen mee te nemen had pastoor Ngoma niet. Het overhemd met losgescheurde borstzak en de vuile pantalon is zijn enige bezit. „Ik heb wel mijn bijbel uit mijn hut gegrist, maar die ben ik onderweg kwijtgeraakt.”

Het inwonertal van Bundibugyo is de afgelopen weken verviervoudigd door de komst van de Congolezen. Hulporganisaties hebben alle hostels afgehuurd. Aan de rand van het dorp in West-Oeganda is een provisorisch kamp neergezet. Oegandese militairen bouwen tenten waar honderden mensen in kunnen. Maar de Congolezen maken liever hun eigen hutje van takken, dekens en plastic. „Seks is een probleem in die grote tenten”, lacht Nicasi Balturumayo, een boer uit Kamango, doelend op de vele mensen in zo’n onderkomen.

De vluchtelingen willen voorlopig niet terug. Er gaan geruchten dat de ADF nog altijd dorpen terroriseert. „Zelfs de achterblijvers, die de situatie eerst wilden aankijken, komen nu hierheen”, zegt Balturumayo.

De ADF is een spook uit het verleden, dat pijnlijke herinneringen naar boven haalt in Oeganda. De islamitische beweging ontstond uit een verbond tussen verschillende rebellengroepen, die in de jaren negentig tegen de Oegandese president Yoweri Museveni vochten met steun van Congo en Soedan. Vooral het westelijke grensgebied rond de Rwenzoribergen raakte ontwricht door de opstand. De ADF viel politiebureaus en andere overheidsgebouwen aan. Honderdduizenden mensen sloegen op de vlucht. In die tijd reikte de ADF zelfs tot in de hoofdstad Kampala, waar de groep een tiental aanslagen met granaten en zelfgemaakte bommen pleegde.

Het arme, achtergestelde westen was aanvankelijk een vruchtbare voedingsbodem voor de opstand. „Mensen voelden zich in de steek gelaten door de regering”, zegt Caroline Ajulong, hoofd van een basisschool in Bundibugyo. „Tot de jaren zeventig was er in deze regio niet eens een middelbare school of een ziekenhuis. We hadden lang geen elektriciteit en de onverharde weg hier naartoe was een ramp. Maar de bevolking hier steunt de ADF niet meer. Ze kunnen alleen nieuwe strijders rekruteren door mensen te ontvoeren.”

Het Oegandese leger wist de ADF de grens over te jagen naar Oost-Congo. Na grote offensieven in 2004 en 2007 is het aantal strijders volgens de VN gedecimeerd van 5.000 tot 1.300. Veel Oegandezen dachten dat de groep was verslagen. Bovendien heeft de lucratieve cacaoteelt de regio veranderd. Bundibugyo heeft sinds een jaar of twee stroom. En onder toeziend oog van Chinese opzichters met zonnebrillen leggen Oegandese wegwerkers het laatste deel van de geasfalteerde weg aan naar de Congolese grens.

Taaie vijand

Maar de ADF blijkt een taaie vijand, die zich diep in de bergen van Oost-Congo heeft ingegraven. De groep heeft een netwerk van lokale winkels, bedrijfjes en taxi’s. En verdient geld met de smokkel van goud en de illegale houtkap. Iedereen die in het gebied een kettingzaag gebruikt, ook officieren van het Congolese leger, betaalt 300 dollar belasting.

De afgelopen maanden waren er berichten dat de ADF zich hergroepeert. De Congolese autoriteiten zeggen dat de ADF begin dit jaar tachtig burgers heeft ontvoerd, onder wie vrouwen en kinderen.

Toch kwam de aanval van 11 juli voor velen als een verrassing. In Oegandese kranten wordt druk gespeculeerd dat de ADF steun krijgt van de Somalische terreurbeweging Al-Shabaab, omdat president Museveni troepen naar Somalië heeft gestuurd. Analist Marc-Andre Lagrange van denktank International Crisis Group zegt dat daar geen bewijs voor is. „De Oegandese regering gebruikt deze ‘terreurdreiging’ om steun uit het buitenland te krijgen.”