Een park op zoek naar zijn rol

Wat is het toch met Londenaren en hun parken? Geef ze een stukje groen, en ze zullen er zich neervlijen.

Dus toen afgelopen weekeinde het Queen Elizabeth Park opende, vorig jaar nog bekend als Olympic Park, kwamen ze in groten getale. Jong en oud. Families, veelal uit de buurt en dus van alle nationaliteiten die de East End van Londen rijk is. Met kleedjes, picknicks, boeken en ballen. Deels voor het festival dat er speciaal voor de opening was georganiseerd, maar vooral voor het park.

Niet dat er in het oosten van de stad gebrek was aan groen. Victoria Park (1845) is het oudste gemeentelijke park van Londen, en kan zich met zijn Engelse bloementuin en vijver meten met Regent’s Park in het centrum. De Hackney Marshes zijn met 82 sportvelden altijd druk bezocht, en de Walthamstow Marshes met zijn zandpad is juist een van de rustigste delen van de stad.

Maar dit park verbindt twee delen van Oost-Londen, die van oudsher gescheiden waren door een industrieterrein. Voor het eerst sinds de bouw van de olympische stadions in 2005 begon, kunnen de bewoners door het hek waar ze zo lang tegenaan keken.

Bovendien verhuist het sociale leven van de Londenaar in de zomer nu eenmaal altijd van de pub naar het park. Dat heeft deels met het ruimtegebrek te maken; appartementen zijn in de Britse hoofdstad nu eenmaal klein, een eigen tuin een bijzonderheid. Deels met de altijd aanwezige privacygevoeligheid; voor een Engelsman je thuis uitnodigt, moet je meer dan dik bevriend zijn. En deels met de altijd aanwezige liefde voor alles dat groen is en doet denken aan het platteland.

Trots bevestigde de City of Londen begin deze maand dat Londen met haar 173 vierkante kilometer aan parken, bossen, en ander openbaar groen, een van de groenste steden ter wereld is. Binnen Europa komt Berlijn, met 14,4 procent groen, niet in de buurt van de 40 procent van Greater Londen, meldde de gemeente.

Met dank aan Henry VIII, die na de Reformatie van 1530 land inpikte en gebruikte als jachtterrein. En met dank aan de Londenaren van de achttiende eeuw die tuinen creëerden midden op pleinen en tussen de huizenblokken, zoals die beroemde uit de film Notting Hill. In de Victoriaanse tijd kwamen daar gemeentelijke parken bij.

Ieder park heeft zijn eigen sfeer. Hyde Park is er bijvoorbeeld voor de rolschaatsers, de ruiters, de zwemmers en roeiers in de Serpentine. Battersea, ten zuiden van de Theems, voor de voetballers en rugbyers. Het elegant vormgegeven Regent’s Park is voor wielrenners, joggers en families op heen- en terugweg van de dierentuin. Richmond Park, aan de rand van de stad, voor de lange wandelingen. Hampstead Heath in het noorden voor het uitzicht – en de wind om te kunnen vliegeren.

Het is nog te vroeg om te zeggen welke rol Queen Elizabeth Park zal krijgen. Slechts een achtste van het park is nu open. De charme van vorig jaar was om over de wandelpaden langs de rivier de Lee te flaneren. Om onder de bruggen de vleermuishuisjes te spotten, en te zien of de vogels, salamanders, kikkers en vissen, die deels werden verhuisd tijdens de bouw van het park, weer terug waren. Dat kan pas weer in het voorjaar, als ook het zwembad en de velodroom opengaan.

Maar er is al één groot verschil met de andere parken. Ontwerpers Sarah Price, Nigel Dunnett en James Hitchmough creëerden een natuurlijke, wilde bloementuin met klaprozen, korenbloemen, floxen en grassen. Dat maakte het park minder kunstmatig. En betekent dat geen enkel bordje meldt: ‘keep off the grass’.