‘Ziel moet terug in jeugdbeleid’

De rol van huisartsen bij het signaleren van kindermishandeling wordt belangrijker. Maar huisartsen melden zelden bij het AMK.

Sinds 1 juli is het voor iedereen die met kinderen werkt verplicht te werken volgens een meldcode voor kindermishandeling. Zodat leraren, artsen en welzijnswerkers weten wat ze moeten doen als ze vermoeden dat een kind mishandeld wordt. Huisartsen melden van oudsher weinig gevallen van kindermishandeling bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s), zei vertrouwensarts Jolande Schoonenberg van het AMK Amsterdam onlangs in deze krant. Kinderartsen en Jeugdartsen doen dat veel beter.

Wie kindermishandeling vermoedt moet advies vragen bij het AMK, ook al staat dat niet met zoveel woorden in de code, zegt vertrouwensarts Schoonenberg. Dus ook de huisarts. Voorzitter Steven van Eijck van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LVH) zegt dat het onderwerp de volle aandacht van de vereniging heeft. Maar ook dat er bij veel huisartsen onvoldoende vertrouwen is in wat er gebeurt na een melding bij het AMK.

Wat doet de LHV om kindermishandeling tegen te gaan?

„Wij zijn bezig met maatregelen die de signalering van huiselijk geweld moeten verbeteren, de diagnostiek, en de follow-up. Zo is er een speciale opleiding voor huisartsen voor het omgaan met huiselijk geweld. We zijn in overleg met tandartsen en andere professionals in de zogeheten eerstelijnszorg over het zo vroeg mogelijk signaleren van mishandeling, en over de manier waarop wij daar gezamenlijk mee om kunnen gaan. Tandartsen kunnen bijvoorbeeld veel zien aan een kindergebit, zoals ernstige verwaarlozing. Maar ook vroedvrouwen en kraamverzorgsters zien heel veel.”

Maar waarom melden huisartsen vermoedens van mishandeling dan niet bij het AMK?

„Als je een mishandeling meldt, moet je wel vertrouwen hebben in wat er gebeurt met die melding. Hoe snel wordt er gereageerd, wordt er wel goed teruggekoppeld, hoort de huisarts er ooit nog iets van? Ik merk dat veel huisartsen daar onvoldoende vertrouwen in hebben. Een moeder komt bijvoorbeeld bij de huisarts, omdat haar zoontje maar niet zindelijk wil worden. De huisarts merkt vervolgens dat de moeder wil praten, en bij doorvragen blijkt dat het jongetje bang is voor zijn vader, en daar ’s nachts van wakker ligt. Die moeder meldt dat niet bij het AMK, maar is wel naar de huisarts gekomen. Die is in de praktijk vaak de vertrouwensarts. Als je dan meteen de vader aangeeft bij het AMK, is het snel gedaan met de vertrouwensrol van de huisarts.”

Maar als de huisarts niet meldt, moet hij het zelf oplossen. Heeft hij daar genoeg zelfvertrouwen voor? Huisartsen krijgen volgens een akkoord met minister Schippers begin deze maand een centrale rol bij het behandelen van psychische klachten. Zij zullen meer patiënten zelf moeten behandelen.

„Niet allemaal. Maar daar zijn we mee bezig. Vanaf 1 juli is het werken met de meldcode huiselijk geweld de norm. Je ziet ook op andere terreinen dat huisartsen meer taken krijgen. De jeugd-ggz heeft bijvoorbeeld minder behandelcapaciteit. Dat betekent dat de eerste lijn, huisartsen en psychologen, meer zelf moeten doen. Dat kan ook goed, met de praktijkondersteuning van sociaal psychiatrisch verpleegkundigen. Maar je trekt niet zo maar ineens een blik praktijkondersteuners open. Oplossingen zoals deze, een verplaatsing naar de eerste lijn, moeten structureel en duurzaam gebeuren.”

Waarom willen huisartsen en andere zorgverleners de hulp aan mishandelde kinderen gaan coördineren? De gemeenten worden juist in 2015 verantwoordelijk voor alle jeugdzorg zodat één partij de regie heeft. Dat gaat dan toch goed?

„Nee. Dat gaat niet vanzelf goed. Ik vind het goed dat de verantwoordelijkheid voor het jeugdbeleid bij de gemeenten komt te liggen, want jeugdbeleid is lokaal beleid. De problemen verschillen per gemeente. Maar jeugdzorg is niet van oudsher het terrein van de gemeenten, en we zien grote verschillen in de bestuurskracht van gemeenten. Bovendien kunnen we ons de luxe van dit domeindenken niet veroorloven, van wie waar de regie over heeft. Daarvoor is de zorgvraag te groot, ook bijvoorbeeld van ouderen.

Het is verstandig om goed te kijken naar de relatie tussen gemeenten en huisartsen, maar ook naar de relatie met bijvoorbeeld de kinderdagverblijven, of de zorgadviesteams rond scholen en kinderopvang. Daar valt bijvoorbeeld op dat een levendige leerling opeens stil en teruggetrokken is geworden. Dan is het belangrijk dat de zorg een samenhangend geheel is: wie pikt het signaal op, in welke omgeving, en wat gebeurt er vervolgens. Er moet dan ook gekeken worden naar de schulden in het gezin, de verslaving van moeder, en de aandacht van de politie voor de oudere broer. De samenhang moet weer terug in het verkokerde jeugdbeleid. De ziel moet in het jeugdbeleid worden teruggebracht.”

De ziel? Hoe doe je dat?

„We maken nu samen met gemeenten en het rijk een overzicht: wie doet wat in de zorg en hoe vind je elkaar? Hoe gaan bijvoorbeeld de huisarts en de jeugdarts op scholen met elkaar om? Daarbij geldt dat het kind altijd centraal moet staan. Het kind moet er iets aan hebben. Bij alles wat je doet, moet je je dus afvragen of het kind er beter van wordt. Als dat niet zo is, moet je de aanpak veranderen.

Ik merk dat er nu nog te veel in systemen gedacht wordt. Dat moet anders: we moeten af van het georganiseerde wantrouwen van de verkokerde zorg: iedere organisatie zijn eigen verantwoordelijkheid; een voor het spijbelen, een voor winkeldiefstal, een voor de verslaving, et cetera. Als je daar een regisseur boven zet dreig je gewoon weer een extra loket te creëren. Er moet binnen de samenwerking van zorgaanbieders iemand zijn die echt mandaat heeft. Die iets oplost, en waar nodig anderen inzet.”