Op spreekuur bij de minister van Milieu

Iedere vrijdag gaan Britse parlementariërs naar hun kiesdistrict. „Hier krijg ik een idee wat er echt speelt”, zegt minister Edward Davey.

Minister van Milieu Edward Davey op pad in zijn kiesdistrict, ten zuidwesten van Londen.

Minister Edward Davey moet het wel eens aan buitenlandse collega’s uitleggen. Waarom hij liever niet vergadert op vrijdag. Natuurlijk, soms kan het niet anders. En als hij moet „dan moet het”. Maar eigenlijk is hij iedere vrijdag in Surbiton en Kingston, in zijn kiesdistrict. Net als alle Britse Lagerhuisleden, van diegenen op de achterste bankjes in het House of Commons tot de ministers, inclusief premier David Cameron. Van Liberaal-Democraat Alistair Carmichael, die de 34 eilanden rond Orkney en Shetland vertegenwoordigt (op 1.160 kilometer van Londen) tot Conservatief Mark Field, die zodra hij het parlement verlaat in zijn kiesdistrict is.

Toch klaagt men ook in het Verenigd Koninkrijk over de kloof tussen burgers en politici. Het vertrouwen in de politiek was nog nooit zo laag. Kiezers zeggen dat politici het ene beloven en het andere doen, en dat ze niet begrijpen wat de gewone man bezighoudt. Is dat slechts perceptie? Davey, minister voor Energie en Klimaatverandering, zegt: „Mijn werk is hier. Hier krijg ik een idee wat er echt speelt.”

Het kantoor van de Liberaal-Democraat zit op vijf minuten lopen van het centrum van Surbiton, ten zuidwesten van Londen. In zo’n winkelstraatje waarvan er in het Verenigd Koninkrijk duizenden zijn: een beetje smoezelig, met een afhaalchinees, een pizzabezorger, een wasserette en een krantenkiosk annex buurtsupermarktje. Op vrijdagen begint Davey (56) om half negen met een open spreekuur. Dat klinkt huisartsig, en dat is het ook. In de wachtruimte, tussen dozen met enveloppen en briefpapier, zitten op plastic stoeltjes negen mensen te wachten. Er zijn tijdschriften – in tegenstelling tot bij een huisarts niet met de laatste roddels, maar met het laatste partij- en lokale nieuws. Een radio kraakt, maar niemand durft hem uit te doen.

Eenmaal in Davey’s kantoor leggen ze hun problemen voor. Praktische problemen waarbij hij deels sociaal werker is, deels luisterend oor. Het heeft niets met zijn werk als minister te maken, gaat niet over nationale politieke kwesties. Zo is er een oud-militair die maar geen werk kan vinden. Davey bekijkt zijn cv, knikt goedkeurend. Vraagt de man of hij al heeft deelgenomen aan een arbeidsintegratieproject van het leger, en wat het arbeidsbureau tot nu toe heeft gedaan. Hij zegt: „Ik kan u natuurlijk niet aan een baan helpen.” De man knikt begrijpend. Davey raadt hem aan zijn cv wat aan te passen, overal aan te kloppen. Het is advies dat iedereen had kunnen geven, maar de man is zichtbaar onder de indruk van Daveys woorden.

Een oudere, uitgeputte vrouw gaat net zo opgelucht weg. „Ik moet mijn huis uit”, waren haar eerste woorden. Maar daarachter blijkt – na langdurig en voorzichtig graven door Davey – een wirwar van familie- en immigratieproblemen schuil te gaan. Uit haar tas komt een enorme bundel gekreukelde papieren: brieven van de migratiedienst, een advocaat, de gemeente. Met ambtelijke taal, waardoor ze niet heeft begrepen dat de gemeente haar wil helpen omdat ze een minderjarig kind heeft.

„Waarom verwachten we dat burgers alles begrijpen?” zegt Davey later. „Beteropgeleiden weten waar ze heen moeten. De minderopgeleiden hebben vaak geen idee hoe het systeem werkt. Het is mijn taak hen daarbij te helpen.”

De agendadruk is groter sinds hij minister is, beaamt Davey. „Maar ik werk er hard aan om hetzelfde aantal uren hier te zijn als voor mijn benoeming [in 2010].” En hij neemt uitgebreid de tijd voor de kiezers: „Het is beledigend om iedereen maar vijf minuten ofzo te geven.” Hij zegt: „Het is belangrijk burgers toegang te geven tot politici. Vaak zijn ze overal al geweest. Ik ben de laatste instantie.” Hij pakt zijn briefpapier en wijst op het logo van het Lagerhuis. „Dit en die twee letters achter mijn naam, MP [Member of Parliament] zijn magisch.” Ze maken dat bureaucratie antwoord geeft.

Hij schrijft namens de kiezer – of die nu op hem heeft gestemd of niet – brieven waarin hij om opheldering vraagt. Eén keer deze ochtend geeft hij zijn medewerker opdracht de telefoon te pakken en het kantoor van de minister van Binnenlandse Zaken te bellen. De zaak, een immigratiekwestie, is te bizar en te dringend voor een brief.

„Uit ervaring” weet Davey wanneer hij terughoudend moet zijn. Berucht zijn voorbeelden, bijvoorbeeld uit Ierland, waar een parlementariër namens een vrijgelaten pedofiel vroeg om bezoekrecht voor diens kinderen. Maar Davey is inmiddels zestien jaar Lagerhuislid: „Ik ga ervan uit dat wat iemand me vertelt de waarheid is.” En als hij het niet zeker weet, vraagt hij om feiten. Bijvoorbeeld aan twee opgewonden en vooral bezorgde moeders. Ze zeggen dat het gezondheidscentrum naast de school van hun kinderen methadon verstrekt, en dat er naalden ingeruild worden. Eigenlijk willen ze dat Davey een petitie ondertekent om dit tegen te houden. Later zegt hij: „De kans dat een drugsverslaafde een kind pijn doet, is heel klein. Maar ik begrijp dat het een emotionele zaak is.”

Na drieënhalf uur is de wachtkamer leeg. Davey schenkt thee in. Maar nog voor hij rustig heeft kunnen zitten, arriveert de koerier. Zijn rode koffertje, het Britse equivalent van de loodgieterstas. Of in dit geval: een papieren tas met als opschrift ‘I feel Slovenia’, die hij snel wegmoffelt. Hij laat de inhoud zien: een dossier van drie vingers dik met de tekst ‘urgent’, eentje van een vinger dik met ‘routine’, brieven om te tekenen, en de planning voor volgende week, met vergaderingen in Westminster en Brussel.

Negen van de tien keer gaat het tijdens het spreekuur over persoonlijke kwesties, zegt hij. De tiende keer over controversiële kwesties waarvan mensen willen weten hoe hij erover denkt: het homohuwelijk, klimaatverandering. „Vanochtend was er één iemand die wilde weten hoe ik tegenover fracking stond.”

Toch klagen burgers dat politici hen niet begrijpen. Dat ze onbenaderbaar zijn. Davey wijt het deels aan e-mail. „Een nachtmerrie”, zegt hij. Het is veel makkelijker om snel een klacht op te tikken en aan een Lagerhuislid te verzenden. Hij krijgt er gemiddeld veertig per dag, zegt zijn assistente Roísin. En mensen verwachten tegenwoordig onmiddellijk een antwoord. Davey steekt de hand in eigen boezem: „Soms is het onze eigen schuld dat we niet snel genoeg reageren.” Maar soms, zegt hij, komt een gewone mail niet door het spamfilter.

Het is ook beleving, denkt hij. Want wat kiezers niet merken, is dat de spreekuren en de dagen in zijn kiesdistrict de manier waarop hij tegen beleid aankijkt beïnvloeden. Het komt van pas bij debatten binnen de partij, en het kabinet. „We hebben het veel over hoe de bijstand moet worden hervormd. Het is belangrijk om te horen wat het resultaat is.” En het is ook een beeld dat de media creëren: „Commentatoren hebben altijd een mening over wat ‘de kiezer’ vindt en wil”, zegt Davey. „Maar pas als je op honderd deuren hebt geklopt, weet je dat de redenen om te stemmen heel breed zijn.”

Hij vermoedt dat sommige kiezers op hem als persoon stemmen, niet op de LibDems. Toch zou hij niet anders willen: „Ik houd van een kiesstelsel met een geografische link. Bij een systeem waarbij de burger op een partij stemt, hoef je als politicus niet met een kiezer te praten. Als je als individu wordt gekozen, moet je wel.”

Een smsje komt binnen. Zijn Franse collega van Energie wil na een diner zondag met de Chinese collega nog iets drinken. Zijn medewerkers komen binnen met talloze vragen. Er moet geluncht, en in de agenda staan bezoeken aan een gezondheidscentrum, een kinderdagverblijf. Maar eerst moet er nog een gebouw worden geopend. Hij overlegt met zijn assistente: das of geen das? In de auto kijkt Davey nog even snel naar zijn toespraak.

Pas vanavond is er tijd voor vrouw en kind. Die hij „lang niet genoeg” ziet. Want morgen wacht een benefietmiddag, de wijn en sapjes zijn al op kantoor aangekomen. „Je moet je klanten tevreden houden”, lacht hij. Even later: „Maar ik denk dat ik dit toch vooral doe omdat ik het leven van mensen wil verbeteren, de wereld. Als je dat niet wilt, waarom zou je dan zo’n idiote baan nemen?”