Oost-Jeruzalem is soms Israël

Volgens de Hoge Raad komt een verzoek om uitlevering uit bezet Oost-Jeruzalem gewoon uit Israël.

Wat is het verschil tussen een sinaasappel en een uitleveringsverzoek? Er zijn er meerdere, maar één verschil is in ieder geval: een sinaasappel uit Oost-Jeruzalem komt niet uit Israël, een uitleveringsverzoek uit Oost-Jeruzalem wél. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.

De formele herkomst van producten uit door Israël bezette Palestijnse gebieden ligt gevoelig. Vorige week schreef dagblad Trouw nog dat supermarktketens Aldi, Jumbo en Hoogvliet producten weren uit illegale Israëlische nederzettingen.

Daarmee zouden de bedrijven een voorlopersrol spelen in een langlopende discussie in Europa over het specifiek etiketteren van producten uit Israëlische nederzettingen. Een groot aantal landen, waaronder Nederland, beschouwt de grenzen uit 1967 als de staatsgrenzen van Israël.

Maar voor uitleveringsverzoeken gaat deze redenering niet op, merkte advocaat Herman Loonstein deze maand. Toen besliste de Hoge Raad dat zijn cliënt gewoon aan Israël kon worden uitgeleverd. Terwijl, zo had Loonstein aangevoerd, het uitleveringsverzoek uit Oost-Jeruzalem kwam, van het ministerie van Justitie. En dus niet uit Israël, naar Nederlandse maatstaven.

De grondwet verbiedt uitlevering aan staten waarmee Nederland geen uitleveringsverdrag heeft. Dat is hier het geval, betoogde Loonstein. Tussen Nederland en Israël geldt een Europees uitleveringsverdrag. Maar dat verdrag geldt niet tussen Nederland en de bezette gebieden, dus kan Nederland niet uitleveren. De Hoge Raad verwierp het verweer omdat het uitleveringsverdrag geen eisen stelt aan de fysieke herkomst van uitleveringsverzoeken.

De redenering van Loonstein kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Nederland hanteert het onderscheid tussen Israël en de bezette gebieden bij de uitvoering van allerlei regelingen. Voor producten uit de bezette gebieden gelden bijvoorbeeld andere accijnzen. Ook gelden de bezette gebieden niet als Israël bij toepassing van regels voor de nationaliteit van kinderen.

Loonstein had het argument bovendien al een keer succesvol aangevoerd. Een bedrijf uit de bezette gebieden had een cliënt van hem voor de rechter gedaagd. Van buitenlandse bedrijven kan worden geëist dat ze een garantie geven om eventuele proceskosten te betalen, maar niet als ze uit een land komen waarmee Nederland een rechtshulpverdrag heeft, zoals Israël. Loonstein betoogde dat dit bedrijf niet onder dat verdrag viel. Toen gaf de rechter hem wel gelijk, en moest het bedrijf een garantie geven.