Column

Kabaal om een omelet

Er zijn Duitse woorden die alleen in het Nederlands bestaan. Zoals unheimisch: geen Duitser die het kent. Het woord heeft, zeggen ze, vroeger wel iets betekend, maar niemand weet meer wat, en tegenwoordig bestaat het niet langer. Nu zeggen de Duitsers unheimlich waar wij unheimisch zeggen.

Zo zijn er ook Franse en Engelse woorden die alleen in het Nederlands bestaan. Nicoline van der Sijs gaf in haar ‘Chronologisch woordenboek’ ooit een lijst met zestig voorbeelden. Mainport, smoking, stationcar, hometrainer, ladyshave, bandrecorder: het zegt de Engelsen niets.

Fransen weten weer niet wat we bedoelen met faillissement, brille, logé, plafonnière, bellettrie en maisonnette. Hugo Brandt Corstius kwam in zijn ‘Opperlandse taal- & letterkunde’ met de voorbeelden chique en flux de bouche. Chique is weliswaar ook in Frankrijk een woord, maar daar betekent het pruimtabak. En die flux de bouche krijg je als gevolg van dat pruimen.

Ik kom hier zo plompverloren mee omdat iemand me aansprak over het citaat ‘Jede Konsequenz führt zum Teufel’. Gek genoeg is dat ook louter bekend in Nederlandstalige kringen. Het wordt er ten onrechte toegeschreven aan ‘de oosterburen’, en dan naar believen aan Goethe, Luther of Brecht, of door een eenzame rebel ook wel aan Nietzsche. Soms is een Nederlander zo ijverig het citaat serieus te checken en die wendt zich beleefd tot een Duitse website met de vraag of men de bron er van kent. ‘Hmm’, antwoorden de Duitsers verveeld. ‘Nooit van gehoord. Vast iets van Thomas Mann.’

De menselijke geest heeft een reddende neiging tot zelfoverschatting. Als we zouden beseffen dat de meeste dingen die we zeggen onzin zijn, zou van een gesprek weinig komen. Dus houden we vrolijk vast aan de gedachte dat we de boel volmaakt onder controle hebben en we slingeren parmantig allerlei onbewezen stelligheden de wereld in. ‘Jede Konsequenz führt zum Teufel’: om het hardst roepen we dat het tot de canon van de Duitse gezegden behoort, ook al weten de Duitsers van niets. Het is ‘een leuk Teutoons prinsiep’, schrijven we.

Let er maar eens op hoe snel zulke zekerheden om zich heen grijpen. Iemand schrijft dat de quote van Goethe is en een ander schrijft terug: ‘Die van Goethe is een mooie, zal ik onthouden’. Nu hoeft nog maar één ander het te herhalen en Google zet Goethe op één. Daarna duurt het niet lang meer of een wetenschapper fabriceert een vervalsing in Goethes handschrift en als die aanslaat bij kenners kun je er donder op zeggen dat Goethe in zijn graf zelf ook gaat geloven dat hij de woorden ooit – in dronkenschap en op een onbewaakt moment – ergens op een servet heeft gekliederd.

In de loop der tijd heb ik meerdere malen met bewondering vastgesteld hoe gemakkelijk dat gaat. Iemand zegt iets, een ander herhaalt het en – ‘what I tell you three times is true’– het is waar.

In feite zei Sherlock Holmes nooit ‘elementary, my dear Watson’. In feite zei Humphrey Bogart niet ‘play it again, Sam’ in Casablanca. En het was niet Barbertje die moest hangen in de proloog van de Max Havelaar, maar Barbertjes echtgenoot, omdat hij Barbertje had vermoord. Niet dat ze dood was, trouwens, ze liep nog gewoon rond. Maar ze zeiden dat ze vermoord was, en ze zeiden het nog een keer en nog een keer, en daarna was het waar.

Vorige week schreef een van mijn gewaardeerde collega’s op deze plek dat denken hetzelfde is als iets vinden, een standpunt verkondigen, een mening opdringen aan anderen. Volgens mij overschat hij het denken. Wie begint te denken, doet allereerst verwoede pogingen te checken welke feiten kloppen en welke argumenten deugen, lijkt mij. Een standpunt komt later wel.

Omdat andermans standpunten en argumenten bij het denken ook heel belangrijk zijn, kwam ik al lezend over de geschiedenis van het denken Voltaires beroemde uitspraak tegen dat hij andermans recht op een standpunt tot de dood zou verdedigen. En toen ik nog verder las, bleek dat hij dat nooit heeft gezegd. Wat Voltaire in feite zei was: ‘Wat een kabaal om een omelet.’

Wie dit niet gelooft, leest het maar na bij Evelyn Beatrice Hall, die begin twintigste eeuw een biografie schreef over Voltaire. Toen hij hoorde dat een geschrift van een filosoof werd verbrand, zei hij volgens Hall: ‘What a fuss about an omelette!’', ‘Tant de bruit pour un omelette’. Wat een herrie om niets.

Omdat dit een rare uitspraak was, legde Hall hem uit. ‘Voltaires houding was: ik ben het niet me je eens’, schreef ze, ‘maar ik zal tot de dood je recht verdedigen het te zeggen’. In juni 1934 schreef Reader's Digest dat Voltaire dit zelf had gezegd, waarna het werd herhaald en nog eens herhaald en toen was het waar.

Zo kwam het dus dat ik aan het eind van alles achterbleef met een paar lege eierschalen. De struif droop tussen mijn vingers door. Geen feit klopte, geen argument deugde, de wereld bleek aan elkaar te hangen van onjuiste citaten en misverstanden. Toch besloot ik u er niet mee lastig te vallen, want op zo’n onthutsende boodschap zit u waarschijnlijk niet te wachten. Zoals Jack Nicholson zei: ‘You want the truth? You can’t handle the truth!’ En, nee, dat zei hij dus inderdaad ook niet.

Maxim Februari is filosoof en schrijver. Deze column is wekelijks.