De grondwet verdwijnt in een bunker in Utah

Toen het Amerikaanse Congres vorige week besloot dat de geheime dienst NSA mag doorgaan met het massaal verzamelen van telefoon- en internetgegevens, heb ik puur uit nostalgie de Nederlandse grondwet nog even bekeken. Artikel 13, het Briefgeheim.

Niet dat het er nog veel toe doet, maar daar staat dat het briefgeheim in Nederland „onschendbaar” is, behalve als de rechter een uitzondering maakt. Ook „telefoon- en telegraafgeheim zijn onschendbaar” – met uitzonderingen die in de wet zijn vastgelegd. Bedoeld zijn de Nederlandse rechter en de Nederlandse wet. Aanpassing van de grondwet aan het internettijdperk is in de maak, maar de gedachte is ook zo wel duidelijk.

Het is een mooie bescherming van de vrijheid van de Nederlandse burger – maar helaas wel ingehaald door de tijd. De Nederlandse wet en de Nederlandse rechter kunnen zeggen wat ze willen, de Amerikaanse geheime diensten en internetbedrijven gaan gewoon hun gang, in binnen- en buitenland.

Heeft iedereen hier recht op „eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer” (artikel 10, Privacy)? Ach gut, wat mooi bedacht destijds. Maar zolang het Amerikaanse Congres geen bezwaar maakt kunnen al onze digitale sporen worden opgezogen, opgeslagen en indien nodig ook inhoudelijk doorzocht. Een knappe Nederlandse rechter die daar nog iets aan kan doen.

De onthullingen van klokkenluider Edward Snowden hebben niet alleen een massaal verlies aan privacy aan het licht gebracht. Ze hebben ook laten zien dat nationale staten de garanties niet meer kunnen waarmaken die ze in de grondwet aan hun burgers bieden.

Ongetwijfeld hebben sommige landen ervoor gekozen de Amerikanen bij hun gesnuffel een handje te helpen. Maar ook als ze hen de digitale massaspionage zouden willen verhinderen, bijvoorbeeld om hun burgers te beschermen, dan zal dat niet meer lukken. Nationale soevereiniteit op dit gebied is in de praktijk een illusie. Het gaat de NSA immers om veiligheid en het bestrijden van terrorisme. Daarvoor moeten vrijheden nu eenmaal wijken, wat Obama ook zegt over het vinden van een goede balans, en zeker de vrijheden van niet-Amerikanen.

Europese regeringen maken zich er nog niet erg druk over. In veel gevallen hebben ze zelf boter op hun hoofd, en dus hopen ze maar dat het schandaal in de zomerhitte op de achtergrond raakt.

Maar ondertussen begint duidelijk te worden dat het digitale tijdperk een enorme machtsverschuiving in gang heeft gezet. In Rusland, China en Iran hebben ze dat al lang begrepen. Met afschermbaar internet, eigen nationale e-mailsystemen en aparte sociale media proberen ze daar uit de greep van Amerika te blijven – en tegelijk, zeker zo belangrijk, de eigen bevolking onder de duim te houden.

Veel Europeanen zijn er nu pas achter gekomen dat de veel bezongen ‘cloud’ waarin we al onze foto’s, teksten en andere gegevens kunnen opslaan, „niets anders is dan een obscure bunker in Idaho of Utah”, schreef Evgeny Morozov, een van de interessantste denkers over de politieke en maatschappelijke gevolgen van de informatietechnologie, vorige week in de Frankfurter Allgemeine.

In dezelfde krant pleitte de socioloog Ulrich Beck een paar dagen eerder voor een „digitaal humanisme”, met digitale privacy als internationaal erkend mensenrecht. Dat is hoog gegrepen. Maar het is een aanzet tot een debat dat de politiek hoognodig zou moeten voeren, maar voorlopig nog angstvallig uit de weg gaat.