Laat die potten pindakaas deze vakantie thuis

Het gevoel van avontuur in het buitenland wordt wreed verstoord door andere Nederlanders. Die zijn als ouders bij een schoolfeest, aldus Anouk van Kampen en Jan Truijens Martinez.

Ze zijn overal. Van de Dordogne, waar ze pindakaas smeren op meegebrachte broodjes, tot aan Khoa San Road, waar ze met hun backpack op zwetend zoeken naar een vrije kamer, je ziet ze al van mijlenver aankomen. Je ziet het aan de roodverbrande mannen die in bloemenzwembroek door de stad lopen, alsof ze ieder moment een duik kunnen gaan nemen. Of aan de vrouwen met het kort geknipte en rood geverfde haar, aan hun vrolijk gekleurde tuniek en de witte driekwart legging. Om het af te maken is daar de kekke bril, waarmee de draagster wil zeggen: ik ben serieus, maar wel in voor een lolletje. Het laatste restje twijfel verdwijnt als je ze hoort praten in een taal die je maar al te bekend voorkomt. Ondanks de verschillen tussen al die bijna zeventien miljoen mensen, herken je ze meteen: Nederlanders.

Beter moet je kijken om te weten wat voor soort vakantiegangers die Nederlanders zijn. Want aan de ene kant staan degenen die een gat in de lucht springen bij het recente nieuws dat er toch een Holland Heineken House komt bij de komende Olympische Winterspelen. Het zijn de types die pindakaas en vakantievlees uit Nederland meenemen in de caravan, en die het liefst ook op Kreta gewoon een Nederlandse menukaart zouden krijgen. De mensen die de onbedwingbare behoefte voelen om te toeteren als ze een Nederlands kenteken zien op de Franse autoroute, elke keer weer. Het zijn de Nederlanders die altijd een beetje heimwee hebben en zich ook op vakantie het liefst omringen met alles wat Nederlands is.

De andere groep wil Nederland en alles wat daar op lijkt juist ontvluchten. Deze landgenoot kent geen heimwee, schaamt zich als hij andere Nederlanders op vakantie tegenkomt en ziet zichzelf meer als een avonturier. Hij – maar een zij kan het net zo goed zijn – heeft een vreselijke afkeer van ontmoetingen met zijn landgenoten in het buitenland. Deze afkeer maakt hem zo opmerkelijk. Deze Nederlander, de ‘avonturier’, vertelt na zijn vakantie altijd over hoe ‘lokaal’ dat restaurantje was waar ze geen woord Engels spraken. De domper op zijn vakantievreugde was het moment waarop hij toch weer op de bekende bloemenzwembroek stuitte terwijl hij genoot van een zelfgestookte grappa. Hij heeft een stille afspraak met zijn omgeving: wij horen niet van Nederlanders op vakantie te houden.

Twee badgasten smeren zich in met zonnebrandcreme op camping Domaine Le Pommier in het Franse Villeneuve-de-Berg (Ardeche). Op de camping, met groot waterpark, verblijven meer dan 3500 Nederlanders. Foto ANP / Robin Utrecht

Niet alleen de heimwee-Nederlander dient te allen tijde door de avonturier ontlopen te worden, maar eigenlijk alle andere Nederlanders. Elke Nederlander is er één te veel. Die weerzin voor landgenoten zorgt ervoor dat de avonturier zich in de meest vreemde bochten wringt, om maar te laten zien dat hij anders is. Hele Europese kusten worden gemeden om een paar weken Nederlandervrij te zijn. Zwaaiende kinderen achterin Nederlandse Volvo’s worden genegeerd, Nederlandstalige Lonely Planets worden zorgvuldig verstopt en de cerveza wordt netjes in het Spaans besteld.

Elke Nederlander is er één te veel

De weerzin kan angstaanjagende proporties aannemen. Een hoogtepunt van haat bereikt Paul Lohman, de hoofdpersoon in Herman Kochs roman Het Diner. Lohman drijft de spot met Nederlanders die alles wat Frans is ‘enig’ vinden en op vakantie graag Frankrijkje spelen terwijl ze echte Franse wijn van een wijnboertje uit de regio drinken en dansen op Édith Piaf. Zo diep is zijn haat voor dit soort mensen dat hij volledig opgaat in de fantasie wat een Fransman zou moeten doen om de Nederlanders uit zijn dorp te verdrijven:

“Als je er eentje los zag lopen, in een bocht van de weg, met een boodschappentas vol stokbroden en rode wijn op de terugweg van de supermarché, dan kon je je auto een kleine uitwijkmanoeuvre laten maken. (…) Zolang de boodschap maar overkwam was alles geoorloofd: jullie horen hier niet! Rot op naar je eigen land! Ga in je eigen land maar Frankrijk spelen met stokbrood en kaasjes en rode wijn, maar niet hier, bij ons!” (p. 75- 76)

Paul Lohman’s fantasie is karikatuuraal – maar herkenbaar. De avonturier probeert zich steeds weer af te zetten tegen andere Nederlanders op vakantie, zelfs als die precies zo zijn als hij. Dat lijkt op het eerste gezicht erg overdreven.

Maar is het wel zo overdreven? Een Nederlander tegenkomen op vakantie is voor de avonturier als naar een schoolfeest gaan waar ouders bij zijn. Het schoolfeest dat – voordat je echt uit kunt gaan – magische proporties kan aannemen. Een avond waarop de aula niet meer de plek is waar je meegebrachte boterhammen opeet, waarop je in de gymzaal eens niet in de touwen hangt en school voor een moment geen school meer is. Die avond dans je, drink je glaasjes fris terwijl je nonchalant op het gymrek leunt en – in de woorden van Lohman – speel je even dat je iemand anders bent. Terwijl je net doet alsof je luistert naar de muziek, zie je in je ooghoek het klasgenootje waar je het hele schooljaar lang al naar hebt gekeken, en die je nu eindelijk een keer zal vragen om te schuifelen.

Een Nederlander tegenkomen op vakantie is voor de avonturier als naar een schoolfeest gaan waar ouders bij zijn

De Nederlander die onze avonturier tegenkomt op vakantie is voor hem als de vader die op dat moment op de achtergrond met zijn handen over elkaar een oogje in het zeil houdt. Het zijn ogen die de betovering verbreken. Weg is de spanning, want als je hem ziet staan, zie je jezelf door zijn ogen. Opeens ben je iemand die te veel cola staat te drinken in een halflege gymzaal, luisterend naar muziek die gedraaid wordt door de neef van de geschiedenisleraar. Het zijn ogen waarmee we onszelf zien in TL-licht.

Vakantiegangers lezen dagblad Telegraaf op camping Domaine Le Pommier in het Franse Villeneuve-de-Berg (Ardeche). Op de camping, met groot waterpark, brengen meer dan 3500 Nederlanders hun vakantie door. Foto ANP / Robin Utrecht

De vakantie is voor onze avonturier een manier om een toneelstukje op te voeren als de puber die even doet alsof de gymzaal een dansvloer is. De herkenning die de heimwee-Nederlander op vakantie zoekt, gaat de avonturier uit de weg. Niet zozeer omdat hij zichzelf op vakantie probeert te vinden, zoals avontuurlijke studenten zeggen als ze een paar maanden door Zuid-Amerika gaan reizen. Integendeel, vakantie is voor de avonturier de ideale manier om zichzelf te verliezen. Een manier om, een paar weken per jaar, te geloven dat het saaie Nederland achter hem kan worden gelaten en dat hij voor even iemand anders kan zijn.

De haat van de avonturier steekt scherp af tegen de landgenoot die zo van Nederland houdt dat hij bij elke rood-wit-blauwe vlag in het buitenland een warm gevoel krijgt. Maar deze haat is niet verkeerd. Het is het noodzakelijke gevolg van het verpesten van het gekoesterde toneelstukje door de andere Nederlander. Liever construeert de avonturier een wereld waarin hij zich beter kan voelen dan zijn landgenoten, dan dat hij het toneelstuk moet opgeven. Alles om maar even te kunnen opladen in zijn vakantie. De ervaren weerzin is een kleine prijs die de andere Nederlanders betalen, om het normaal functioneren van de avonturiers mogelijk te maken.

Het is daarom begrijpelijk dat de avonturier een hekel aan de ander heeft, dat die grenst aan de haat van Lohman. Het is oké dat hij pindakaas smerende mensen aan de Costa haat, net als Nederlanders die zich als God in Frankrijk wanen. Dat hij ook de volgende vakantie doet alsof hij een Spanjaard is als er Nederlanders naast hem zitten en een baguette bestelt terwijl hij neerbuigend kijkt naar de Nederlanders die ‘baquette’ zeggen.

Wij, de mensen die onszelf tevreden stellen met een jaarlijks avontuur van een paar weken, hebben het nodig te blijven tonen dat wij wel weten hoe het moet, dat wij anders zijn, om weer gelukkig thuis te kunnen komen. Ook al eten wij eenmaal thuis net zo goed weer een broodje pindakaas.

Anouk van Kampen werkt bij de internetredactie van NRC. Jan Truijens Martinez is advocaat.