‘Wat ons bindt, is de wil om verder te komen’ ‘De kans dat ik mijn pensioen haal, schat ik niet zo hoog in’

Een zomeravondgesprek over het leven. Aan tafel na zonsondergang: ondernemer Rahma El Mouden en PvdA-voorzitter Hans Spekman. „Zo leuk je te zien. Ik volg je al heel lang.”

Rahma el Mouden en Hans Spekman. Foto David van Dam

Hans Spekman is te vroeg. „Hoi”, zegt hij als hij de hotelkamer binnenkomt. Boordloze bloes, blauw en oranje. We waren ons nog aan het voorbereiden.

Wil hij zich even opfrissen?

„Nee hoor”, zegt hij. „Dat doe ik thuis wel weer.”

Hij vraagt of Rahma er al is.

Die is er nog niet.

„Nou”, zegt hij. „Dan ga ik even roken.” Hij stapt het terras op, bestelt een glas sinaasappelsap en pakt zijn Blackberry.

Het is half vijf.

Om kwart voor vijf zit hij er nog.

We zeggen dat hij heus wel binnen mag komen. Die felle zon, hoe houdt hij het vol?

„Nee hoor, ik zit hier lekker. En ik verveel me niet. Ik verveel me nooit.”

Wil hij wat brood dan? Olijven? Hij weet dat we pas na zonsondergang zullen eten?

„Weet ik”, zegt hij. „Maar ik hoef niets. Ik heb genoeg reserves.”

Hij staat op om naar de oude watertoren te kijken waar het hotel in gevestigd is. „Mooi. Net een kasteel.”

Om vijf uur gaan we bij hem zitten. We vragen of hij Rahma el Mouden al kent.

„Nee, maar ik heb even op haar gegoogeld. Ik vind het knap hoor, zoals zij het gedaan heeft in haar leven. Hoe zij bij haar man de ruimte heeft gecreëerd om te doen wat ze wilde.”

Rahma el Mouden (54) heeft zestien jaar geleden een schoonmaakbedrijf opgericht. Nu heeft ze meer dan vierhonderd werknemers en een omzet van bijna acht miljoen euro.

Hans Spekman (47) is voorzitter van de Partij van de Arbeid.

We praten over zijn jaren aan de zelfkant, het roken en drinken. Hij zegt dat hij altijd gefascineerd is geweest door de smalle lijn tussen goed en fout. Je kunt er zo overheen vallen, ook al denk je dat het jou niet zal gebeuren. Een zusje van hem had een psychiatrische stoornis, raakte verslaafd aan heroïne, werd prostituee en stierf aan tongkanker.

Zijn vader stierf aan longkanker, eind jaren zestig. „In die tijd stikte je nog omdat euthanasie niet mocht. Met de zegeningen van de katholieke kerk.”

Hij groeide op in armoede, maar wel in een familie met een sterke drang om vooruit te komen. Hardcore sociaal-democraten.

We praten over zijn salaris en zijn koophuis. Luxe, vindt hij. Dat huis kostte 160.000 euro en staat in Zuilen, een arbeiderswijk in Utrecht. Bij de bank werd het niet begrepen. Waarom geen duurder huis? Waarom geen spaarhypotheek? Maar daar heeft Hans Spekman allemaal geen zin in. Hij heeft ook geen auto met chauffeur. Wel een tomtom, sinds een jaar.

Het is ver na half zes.

Geen Rahma el Mouden.

We bestellen witbier en we praten over de boosheid die hij om zich heen ziet. Misschien ziet hij het wat zwarter dan andere mensen, omdat hij als politicus erg aan de sociale media is blootgesteld. Maar dan nog. „Iedereen is boos en voelt zich tekortgedaan. En het is nooit: wat doe ik zelf.”

Hij verlangt naar meer saamhorigheid en betrokkenheid en bekommernis om elkaar. En ook naar strengheid en discipline en grenzen stellen. „Ik wil het maximale doen voor mensen die pech hebben”, zegt hij. „Niet voor mensen die de boel belazeren.”

Midden in een zin over zijn eigen sterfelijkheid – „als je kinderen hebt word je schijterig” – steekt hij zijn hand op. „Hé. Daar is ze.”

Rahma el Mouden.

Ze zat op ons te wachten in het restaurant aan de andere kant van de tuin. Ze moet er erg om lachen. „Ik dacht al”, zegt ze. „Waar is Hans?”

Roze hemd, roze vest, geblondeerd haar. Ze legt haar hand op Spekmans bovenarm. „Zo”, zegt ze. „Nou zie ik je in het echt.”

„Ik zag foto’s van je op internet”, zegt Spekman. „Met je kleinkinderen. Je bent een trotse oma.”

„Zo leuk dat ik je in het echt zie”, zegt ze. „Ik volg je al heel lang.”

Spekman glimlacht.

We blijven op het terras zitten, al is het er te warm, en bieden haar een glas water aan. Maar dat mag ze ook niet hebben. Sinds vanochtend half vier heeft ze niets gegeten of gedronken. Zwaar, zeggen we.

„Heel zwaar”, zegt ze. „Een medewerkster zei vanochtend tegen me: het kan toch niet de bedoeling zijn dat God ons zo martelt?”

Wat antwoordde ze?

„Je doet het zelf. Niemand staat met een pistool op je borst te roepen dat het moet. Maar als het je lukt... Het geeft kracht. Al die miljoenen mensen die hetzelfde doen als jij, over de hele wereld... Het geeft een groot gevoel van verbondenheid.”

Spekman: „Hm, hm. Het lijkt me wel gemakkelijker als je geen verslaving hebt. Ik rook bijvoorbeeld.”

El Mouden: „Mijn man rookt ook. Maar nu dus niet.”

Is hij erg chagrijnig?

„Nee, nee, helemaal niet. En ik ook niet. Ik word alleen een beetje chagrijnig dat ik de hele dag aan iedereen moet uitleggen waarom ik niet mag eten of drinken.”

Spekman: „Het kan toch niemand ontgaan zijn dat het ramadan is.”

El Mouden: „En we doen het al eeuwen.”

Spekman: „Maar misschien dat mensen jou niet zo snel met de ramadan associëren.”

El Mouden: „Waarom niet?”

Spekman: „Ja, waarom niet.”

El Mouden: „Mensen hebben zoveel oordelen... Hoe je eruit hoort te zien als je moslima bent...” Ze doet haar vestje uit en laat haar blote armen zien. Daarna doet ze het meteen weer aan.

We vragen wat die grote gouden zeven is die ze om haar hals heeft hangen.

„Dat is een grote gouden zeven.” Ze lacht geheimzinnig.

Ja? En?

„Het getal zeven betekent veel voor me. In alle jaren waarin er wat belangrijks is gebeurd in mijn leven – er zat altijd een zeven in. In 1967...” Ze valt zichzelf in de rede. „God o god, dat ga ik niet vertellen. Dat bewaar ik voor mijn boek.”

Spekman: „Ik weet het.”

El Mouden: „Wat weet je?”

Spekman: „Ik weet wat er in 1967 gebeurde. Toen zat je op dat muurtje in Tanger naar de toeristen te kijken en je fantaseerde over een rijke westerse vrouw zonder kinderen die jou zou meenemen.” Hij lacht. „Dat las ik op internet.”

El Mouden, schaterend: „Nee hoor. Nee, nee. In 1967... gaf mijn moeder me met haar broer mee die naar een dorp honderd kilometer verderop verhuisde. Ik ben daar twee jaar gebleven.”

Haar moeder deed haar weg?

„Ja. Maar ik was onhandelbaar, hoor. Ik luisterde niet. Ik vocht met de jongens. Ik deed wat ik wilde. Ze dacht: dat komt nooit goed met Rahma.”

Ze slaat haar ogen naar de hemel op en zegt: „Mijn moeder was een heel lieve vrouw, ze kijkt altijd met me mee. Mijn vader was imam, maar hij was naar Gibraltar gegaan om geld te verdienen en zij bleef achter met zeven kinderen, waar ik er dus één van was... Dat ik hier nu toch zit met jou, Hans. Zo leuk! Ik hoorde een interview met jou en ik dacht: hé, alsof ik mezelf hoor praten.”

Spekman glimlacht.

El Mouden: „Wat ons bindt is de wil om verder te komen. Alleen heb jij wat meer geluk gehad dan ik. Jij hebt gestudeerd.”

Spekman: „Niet afgemaakt.”

El Mouden: „Maar je hebt wel een opleiding gehad. Ik niet, hè. Wat ons ook bindt: onze boosheid over onrecht. Acht maart! Wereldvrouwendag! Iedereen viert de emancipatie, maar ik huil. Vijftig procent van de vrouwen op aarde zucht onder het juk van de mannen.”

Spekman: „Meer dan vijftig procent.”

El Mouden: „Natuurlijk. Maar ik wil niet overdrijven.”

Spekman: „Ik las op internet over je eerste Nederlandse lessen. Het was niet verplicht. Je had wel gewild dat het verplicht was geweest.”

El Mouden: „Ja, natuurlijk. Vrouwen zijn blij als het verplicht is. Dan kunnen hun mannen het hun niet verbieden.”

Spekman: „Ben ik helemaal met je eens.”

El Mouden: „Ik ben een groot voorstander van eisen stellen. Mensen die jarenlang in de kaartenbakken van de sociale dienst blijven hangen... We hebben een prachtig sociaal systeem in dit land, maar het houdt wel dingen in stand waar ik misselijk van word.”

Spekman: „Ben ik helemaal met je eens.”

El Mouden: „Als ik directeur van de Dienst Werk en Inkomen was, zouden er een paar dingen flink veranderen. Laatst nog, een man, hij was zijn baan kwijt. Ik zeg: kom maar bij mij, ik heb werk voor je. Nee hoor, hij had WW en pas als dat voorbij was...”

Spekman: „Het punt is dat die regeling zo raar in elkaar zit dat hij er misschien op achteruit zou gaan als hij zou gaan werken.”

El Mouden: „Zo moet die man toch niet denken?”

Spekman: „Ben ik helemaal met je eens.”

Heeft Rahma el Mouden zelf wel eens een uitkering gehad?

„Nee, nee. Of ja, in 1997. Ik had ruzie gehad op mijn werk, want ze hadden me beloofd dat ik manager zou worden, maar ze lieten toch een man voorgaan. Toen heb ik een paar weken een uitkering gehad. Ik ging naar de Sociale Dienst en ik zei: ik ga een bedrijf beginnen, kunnen jullie me helpen?”

Spekman: „Hm, hm.”

El Mouden: „Weet je wat ze tegen me zeiden?”

Spekman: „Nou?”

El Mouden: „Mevrouw, zou u dat nou wel doen?”

Spekman: „Dat begrijp ik wel.”

El Mouden: „O ja?”

Spekman: „Ik was wethouder Sociale Zaken in Utrecht en heel veel vrouwen wilden een pedicuresalon beginnen. Het werden er veel te veel.”

El Mouden: „Maar ik wilde een schoonmaakbedrijf beginnen.”

Ze pakt een van ons bij de arm en zegt: „Van Nederlandse vrouwen word ik ook vaak misselijk, hoor. Zijn ze doctorandus, gaan ze thuiszitten met de kinderen.”

Spekman: „Er is ook een keerzijde.”

El Mouden: „O ja?”

Spekman: „Het heeft ook waarde als een moeder thuis is bij haar kinderen. Veel scholen komen in moeilijkheden zonder luizenpluismoeders en zonder voorleesmoeders.”

El Mouden: „Wát? Wat zeg je? Waarom moeten de moeders dat doen?”

Spekman: „De vaders mogen het ook doen, hoor.”

El Mouden pakt haar tas en begint erin te rommelen. Ze mompelt dat het vaders over het algemeen erg goed lukt om geen luizen te hoeven pluizen. „We wonen in een beschaafd land”, zegt ze. „Waarom moeten ouders dat soort dingen doen? Wat is dat voor onzin?”

Spekman: „Het geeft ook verbondenheid.”

El Mouden, mild: „Nou ja, ik begrijp het wel, hoor, als vrouwen drie dagen gaan werken als ze kinderen hebben. Het heeft misschien ook wel...” Midden in de zin wordt ze weer fel. „Mijn dochter, ze heeft vier kinderen, en ze werkt fulltime. Het kan echt, hoor. Als de mannen niet dwarsliggen. De mannen moeten de draai maken.”

We vragen hoe zij dat met haar man heeft gedaan. Die moest ook een flinke draai maken.

„Behoorlijk, ja.”

Ze was zestien toen ze naar Nederland kwam, getrouwd en zwanger. Ze woonde op een zolder in Amsterdam-Noord, bij mensen die alleen Berbers spraken. Zij sprak Arabisch. Ze zei tegen haar man dat ze zou weglopen als ze niet mocht werken. Ze werd gek. Toen mocht het, twee uur per dag, in de schoonmaak. Dat was in 1977.

Haar man werkte in de Fordfabriek. Hij werd ontslagen, want de fabriek ging dicht. Dat wordt bijstand, dacht hij. Waar moest hij een nieuwe baan vinden?

El Mouden: „Zo denken heel veel Marokkanen dus. Maar ik zei: o ja? Dat zullen we nog wel eens zien. Ik vond een baan voor hem bij het energiebedrijf, dertig uur in de week. Zegt meneer: dat doe ik niet, want dan verdien ik minder dan de uitkering. Ik zeg: o nee? Dat doe je niet? Dat doe je wel! Uiteindelijk verdiende hij 3.000 gulden netto.”

Spekman: „Dat moet dus worden opgelost, dat mensen er op achteruitgaan als ze gaan werken.”

El Mouden: „Ben ik helemaal met je eens.”

Spekman: „Ze zouden er minstens tweehonderd euro op vooruit moeten gaan.”

El Mouden: „Ben ik helemaal met je eens.”

Ze heeft het zo warm dat ze even naar haar kamer wil, een douche nemen. Onderweg naar boven belt ze haar man. Zo leuk hier, zegt ze. Zo leuk om Spekman te ontmoeten. Heeft hij geen zin om ook te komen?

Maar dat doet hij niet.

Wij gaan weer binnen zitten, bij de ventilator. Het is half acht. Hans Spekman leunt tegen de muur en vertelt over zijn kinderen. Hij heeft twee meisjes, 14 en 10, en een jongen van 7. Hij hoopt dat het zijn vrouw en hem zal lukken om ze tot goeie sociaal-democraten op te voeden. „Ik had drie zussen”, zegt hij. „Er waren geen afvalligen bij. Dat woord gebruik ik expres. Wij zijn mensen die vasthouden aan hun idealen.”

Een tweede zus van hem is ook gestorven, aan kanker. De derde zus leeft, maar heeft wel kanker gehad. „De kans dat ik mijn pensioen haal”, zegt hij, „schat ik niet zo hoog in.” Daarom maakt hij zich over de toekomst van de pensioenen het drukst over de nabestaanden.

Na een uur is Rahma el Mouden er weer, nu in een oranje broek en een veelkleurig truitje. Ze hééft het niet meer, zegt ze. „’s Nachts moeten we drie, vier liter water drinken, en dan moeten we weer naar de wc, dus we slapen ook weinig.”

Zwaar, zeggen we.

El Mouden: „Maar wel heel gezellig. Mijn man en ik liggen de halve nacht te praten. We mogen niet vrijen...” Ze lacht. „...dus wat moeten we anders?”

Jarenlang was ze de meeste avonden pas om elf uur thuis. „Je netwerk, je klanten, eten met die en met die. Ik heb zo verschrikkelijk hard gewerkt.”

Kon haar man daar tegen?

„Nou...” Ze aarzelt. „Ik ben wel minder gaan werken. Mijn dochter neemt de leiding over de zaak van me over.”

Om hem?

„Nou...” Ze aarzelt weer. „Mijn man... Vorig jaar is hij ziek geworden. Of eigenlijk was ik eerst ziek geworden. Ik wilde afvallen en dat deed ik zoals ik alles doe, fanatiek. Na drieëntwintig kilo in drie maanden kon ik niet meer. Mijn hersens gingen alle kanten op. Mijn haar viel uit. Ik ging naar de dokter. Ik zei tegen mijn man: ga mee, want hij had steken in zijn buik. Hij wilde niet. Ik zei: je gaat gewoon mee. En toen was het net als in dat boek, Komt een vrouw bij de dokter. Mijn man moest meteen naar het ziekenhuis. De volgende dag kreeg hij de K-mededeling. Het zat in zijn darmen.”

Spekman: „Vreselijk.”

El Mouden: „Uit het niets! De dokter kwam bij ons en zei: ik heb slecht nieuws voor u. Dan denk je gelijk...”

Spekman: „Dood.”

El Mouden knikt.

Spekman: „Wat goed dat je hem had meegenomen. En wel bemoedigend dat je weet dat je er ook weer beter van kunt worden. Vroeger ging iedereen dood en nu...”

El Mouden: „Ach, Hans, het is zo’n gemene ziekte. Soms lijkt-ie weg, slaat-ie opeens weer terug. De eerste drie maanden, we vertelden het aan niemand. Niet dat we ons schaamden, maar we hadden geen behoefte aan mensen die ons vertelden: oh, dat moet je zo en zo aanpakken en weet je wel hoe goed het met die en die is gegaan. We waren alleen maar verschrikkelijk verdrietig.”

Spekman: „Hoe is het nu met hem?”

El Mouden: „In oktober is de laatste controle. Als hij dan nog steeds schoon is...” Ze zucht. „Volgens zijn artsen was het al tien jaar gaande.” Ze zucht weer. „Ik ben zo bang dat ik hem kwijtraak. Het is alsof ik wakker ben geworden. Trut, wat wilde je nou bereiken? Ik was altijd buiten, altijd op jacht, mensen ontmoeten, plezier maken – net een ondeugende man. Ik ben te ver gegaan. Ik wilde mijn grenzen verleggen. Ik wilde vrijheid. Maar wat is vrijheid?”

Spekman: „Je had ook met minder vrijheid toegekund.”

El Mouden: „Absoluut, Hans.”

En die drieëntwintig kilo’s zitten er óók weer aan.

Ze houdt een glas water vast, maar drinkt er niet van. „Ik praat vaak met God”, zegt ze. „Dat wil zeggen: ik praat met mezelf, maar ik noem dat praten met God. Dan zeg ik: ik zou het heel oneerlijk vinden als mijn man iets zou overkomen. Ik zou me mijn hele leven schuldig blijven voelen. Soms zei ik: ga iets voor jezelf doen, wacht niet op mij. Zo gemeen. Dan zei hij: wees toch voorzichtig met jezelf, ik maak me zorgen om je.”

Spekman: „Hij rookt nog?”

El Mouden: „Hij was gestopt, maar hij is weer begonnen. Hij is het nu allemaal pas aan het verwerken. Voor de operatie – ik had al zijn wensen opgeschreven. Waar hij begraven wilde worden, waar zijn geld heen moest, zijn kleren.”

Spekman: „Wilde hij terug naar Marokko?”

El Mouden: „Ja. Toen hij geopereerd werd, zag ik zijn naam in mijn telefoon en dacht: die moet ik straks verwijderen.”

Spekman: „Zou je dat echt gedaan hebben?”

El Mouden: „Absoluut, Hans. Ik had het niet kunnen verdragen om zijn naam steeds weer te moeten zien.” Opeens lacht ze weer. „Ik bel mijn man heel vaak, hè. Net een kerel die zijn vrouw belt. Schatje...”

Spekman: „Ik heb de naam van mijn zus die in 2007 is overleden, Baradiena, expres in mijn telefoon gehouden. We leven zo snel, we jakkeren maar door. Het dwingt me om aan haar te denken, dat ze bestaan heeft, hoe ze was.”

El Mouden knikt.

Spekman: „Mijn moeder heeft meegemaakt dat een dochter doodging. Mijn oma heeft meegemaakt dat haar zoon doodging.”

El Mouden: „We zijn soms meer met verdriet bezig dan met de mooie dingen in het leven. Mijn moeder is gestorven op haar tweeënvijftigste, ook aan kanker. Ik mis haar elke dag.” Ze huilt. „Je moeder, je vader, je kinderen, je man... Je kunt nooit meer volledig gelukkig zijn op aarde als een van hen is weggevallen.”

Spekman: „Zeker niet als het een kind is. Maar soms kan de dood ook mooie dingen met zich meebrengen. Je kunt er adrenaline van krijgen. Mijn zus vocht voor sociale woningbouw in het dorp, ze vocht tegen de boeren die met DDT spreeuwen doodmaakten. Haar dood heeft me extra gemotiveerd om mede namens haar te vechten voor rechtvaardigheid. Jij hebt dat ook, Rahma. Jij hebt de kracht van je moeder in je.”

El Mouden, weer lachend: „Een aantal van haar lieve onderdanige dochters is gescheiden en haar ondeugende Rahma is al 38 jaar met dezelfde man. Dat had ik haar graag laten zien.”

Spekman: „De trots wordt minder als je ouders dood zijn.”

El Mouden: „Mijn moeder – ze dacht zoals ik denk, ze lachte zoals ik lach, ze bewoog zoals ik beweeg. Het is gewoon eng. Als ik haar kleren aandoe, denken mensen dat zij er weer is. Ze was een dappere vrouw, prachtig om te zien. Als mannen haar probeerden te versieren, riep ze: wat nou, wát?

„Ik hoorde later dat ze drie maal getrouwd was geweest. De eerste keer was mijn moeder nog heel jong. Haar man was niet goed voor haar, en toen is ze gewoon weggelopen. Haar vader was dorpsoudste, een zeer gerespecteerd man, hij had twee huizen. Hij zei: als je niet teruggaat, nemen we je kind af. Ze ging niet terug. Ze had haar kind aan de borst toen ze het van haar afpakten. Ze trokken zo hard dat de melk tegen de muur spatte. Paaaf!”

We zijn allemaal stil.

El Mouden: „Het kind is nadien overleden.”

Het is even na half tien als de zon, groot en rood, boven de horizon staat. De fotograaf neemt hen mee naar buiten. Daarna zien we ze samen door de tuin lopen, druk in gesprek. El Mouden raakt af en toe de bovenarm van Spekman aan. Soms aait ze hem.

We slepen de tafel naar het terras: buiten is het nu koeler dan binnen. Een paar minuten voor tien uur roept El Mouden: „Nu moet er eten komen!”

Ze begint met een groot glas water. Dan drinkt ze een groot glas sinaasappelsap. Ze vraagt om soep, want die geroosterde groente op haar bord – lekker, maar valt wel als een steen op de maag.

Wij zeggen dat we haar nog wel een politieke carrière hadden toegedacht.

Ze lacht geheimzinnig. „Ik was er heel dicht bij. Maar mijn eisen werden niet ingewilligd. Ik weet waar ik goed in ben. Als ik naar Den Haag ga, wil ik een taak waarin ik dat kwijt kan. Zo nee, dan niet.”

Spekman: „Terecht.”

Is ze gevraagd als Kamerlid?

El Mouden: „Heb ik niet geaccepteerd.”

Van welke partij is ze?

„Wás. Ik was van de VVD.”

Spekman, tegen ons: „De VVD onder Hans Dijkstal, hè. Dat was een andere VVD.”

El Mouden: „Ik ben half blauw, half rood. Ik ben bij de VVD weggegaan omdat ik het gevoel kreeg dat ik als moslima bij de verkeerde partij zat.”

Had ze staatssecretaris willen worden?

„Minstens. Ik moet iets kunnen veranderen. Ik zeg niet dat Kamerlid geen belangrijke functie is... Hoor mij nou, ik ben schoonmaakster... Maar ik ga mijn bedrijf niet opgeven als ik niet heel zeker weet dat ik iets kan bereiken.”

Spekman: „Dan kun je beter wethouder worden.”

El Mouden, op een idee gebracht: „Ja, dat zou ook kunnen.” Ze lacht. „Ik hou van dit land, Hans.”

Spekman: „Daar twijfel ik niet aan.”

El Mouden: „Ik heb dat ook tegen Beatrix... Bea... gezegd toen ik een keer door haar was uitgenodigd. We wonen in een paradijs op aarde als het gaat om vrijheid en harmonie.”

Spekman knikt.

El Mouden: „Maar de laatste jaren schaam ik me soms wel. Als ik zie hoe we hier omgaan met migranten... Wij...” Ze bedoelt een andere ‘wij’ dan in de vorige zin. „Wij zijn hier. Wij blijven hier. In mijn tijd, toen ik hier net was, kreeg je overal nog een tolk. Wij hoefden geen Nederlands te leren. Toen dacht ik al: ze zijn gek.”

Spekman knikt.

El Mouden: „Maar er moeten dus wel eisen worden gesteld.”

Na de geroosterde groente komt er zalm met spinazie. El Mouden vertelt over de keer dat ze belaagd werd door een groepje Marokkaanse jongens. „Ze wilden de velgen van mijn autobanden stelen. Ik zei: weg daar. Wat nou trut, riepen ze. Ze spuugden naar me. Ze kwamen met kettingen op me af.”

Ze staat op om te laten zien hoe dat er uitzag. Ze zwaait met haar armen. Haar gezicht is vertrokken. „Ze dachten dat ik met een blanke man getrouwd was. Ze waren zo agressief. Ik vroeg mensen op straat om me te helpen. Niemand deed iets. Ik belde de politie. Die kwam niet. Uiteindelijk heb ik mijn zoon gebeld. Die kinderen vertrokken als muizen. Een is er nog gepakt door een voorbijganger.”

Spekman: „Je had politiehulp moeten krijgen. Ben je daar nog achteraan gegaan?”

El Mouden: „Natuurlijk, dezelfde dag.”

Spekman: „Wat zeiden ze?”

El Mouden: „Mevrouw, we hebben meer dan vierhonderd van dit soort jongens in de wijk en wij kunnen dat niet aan.”

Spekman: „Die politieman zou toch ontslagen moeten worden?”

El Mouden: „Waarom? Hij had gelijk.”

Spekman: „Als je die jongens eenmaal laat winnen, dan win je het nooit meer van ze. Ik vind dat zo’n labbekakkerige houding: wij kunnen het niet aan.”

El Mouden: „Ze zijn met vierhonderd!”

Spekman: „Al zijn ze met duizend. Zo worden het er alleen maar meer. Ik heb meegemaakt dat mensen aangifte deden van een serieuze bedreiging... meisjes die van hun fiets werden getrokken... en dat de politie zei: doe maar een melding. Geen aangifte, nee, een mélding. Wat doet dat met een samenleving? Ik begrijp niet dat je je daarbij neerlegt, Rahma.”

El Mouden: „Ik bedoelde het cynisch.”

Spekman: „Iemand met kettingen bedreigen is onacceptabel. De politie had moeten komen.”

El Mouden: „Die jongens hadden gestraft moeten worden. Maar Hans, jij vindt dat zwaar straffen geen zin heeft. Ik denk, hogere straffen...”

Spekman: „Je kunt straffen wat je wilt, maar we winnen het nooit zolang de politie tegen een meisje dat van haar fiets is getrokken zegt: doe maar een melding. Die jongen met die ketting is groter geworden door wat hij gedaan heeft. Hij heeft een stoer verhaal, want hij is niet opgepakt en er waren geen repercussies.”

De klok slaat twaalf en Hans Spekman gaat naar huis, want morgenochtend wordt hij vroeg in het ziekenhuis verwacht, met zijn zoon, voor controle. Hij heeft iets aan zijn hart.

Rahma el Mouden omhelst hem bij het afscheid.

Zij gaat ook naar huis, vanwege de ramadan. Ze had het van tevoren gezegd, maar nu heeft ze spijt. Ze belt haar man weer. Heeft hij echt geen zin om bij haar in Dordrecht te komen logeren? Helaas. Zo laat nog. Hij doet het niet.