Slapeloze nachten bij volle maan

Biologie

Zwitserse wetenschappers zeggen dat ze nu bewijs hebben gevonden voor het volksgeloof dat mensen slechter slapen bij volle maan. Slaaponderzoekers zijn onder de indruk, maar statistici twijfelen.

Het is dus toch waar. De maan heeft wel degelijk invloed op de menselijke biologie. Méér dan de gevestigde wetenschap aan het eind van de twintigste eeuw voor mogelijk hield. Maar minder dan wetenschappers, waarzeggers en handopleggers in de eeuwen daarvoor als vanzelfsprekend aannamen.

Deze week komen Zwitserse onderzoekers in het tijdschrift Current Biology tot de conclusie dat de menselijke slaap door de maan beïnvloed wordt. Door de maanfasen om precies te zijn, de schijngestalten van de maan. Bij volle maan raakten proefpersonen in een raamloos slaaplaboratorium significant later in slaap dan bij nieuwe maan. Het scheelde ruim tien minuten. Ook de kwaliteit van de slaap was bij volle maan minder en verder waren er invloeden op de productie van melatonine, cortisol en nog zowat. Het een hangt met het ander samen, natuurlijk.

Eerste auteur van het stuk is Christian Cajochen, als hoogleraar verbonden aan het centrum voor chronobiologie van de universiteit Bazel. Laatste auteur is de gelauwerde emeritus hoogleraar Anna Wirz-Justice, ook uit Bazel. Beiden hielden zich tot dusver voornamelijk bezig met de circadiane ritmiek, het gewone dag-en-nachtritme van de mens, en de invloed van verstoringen daarvan op de slaap.

Het bestaan van circadiane ritmiek, de ‘biologische klok’ die een 24-uurs ritme aanhoudt ook als er wekenlang geen natuurlijk licht wordt gezien, is boven twijfel verheven. Er zou ook een endogeen jaarritme in de mens kunnen bestaan, dat is minder duidelijk (Current Biology, 9 september 2008). En veel zeedieren, vooral die uit de getijdenzones, hebben een duidelijke maanritmiek, een lunar cycle, die vaak samenhangt met de afwisseling van de getijden, maar soms ook niet. Het massaal paaien van de paloloworm op Samoa bij afnemende maan is misschien zo’n voorbeeld.

Maanritme

Bij de mens is een maanritme, dus een meer of minder endogeen ritme met een periode van 29,5 dag, wel vaak verondersteld maar nooit aangetoond (de menstruatiecyclus is te variabel om van een maanritme te spreken). Het onderzoek van Cajochen en collega’s was ook helemaal niet opgezet om dat maanritme te onderzoeken. Ze hadden tussen 2000 en 2003 gekeken naar het effect van slaaponthouding op het menselijk gestel en kwamen pas vele jaren later, after a drink in a local bar one evening at full moon, op het idee om te kijken of er ook een maansinvloed in hun oude waarnemingen zou zijn te vinden.

De 32 proefpersonen van destijds hadden eerst twee nachten in het laboratorium moeten acclimatiseren voor het bepalen van de zogenoemde baseline, de vereiste nulmeting. Onderdeel van die nulmeting was het vaststellen van de ‘slaaplatentie’, het aantal minuten dat verloopt tussen ‘licht uit’ en het begin van de slaap zoals die op een EEG werd geregistreerd. Het was een kleine moeite om de waargenomen slaaplatentie als functie van de afstand tot de volle maan (in dagen geteld) in een grafiek uit te zetten. Hierboven ziet men het verkregen resultaat.

’t Is geen schoonheid die figuur en hij lijkt nog minder mooi als men de sinuscurve die door de puntenwolk is getrokken verwijdert en andere opsmuk weghaalt. Merk op dat dezelfde waarnemingen er drie keer in voorkomen. En er zijn nog andere zwaktes. De waarnemingen zijn niet gelijkmatig over de maancyclus verdeeld (bij wassende maan is weinig gemeten, rond volle maan heel veel) en de verschillende proefpersonen komen er twee keer in voor, want ze moesten twee nachten acclimatiseren. Ook zijn waarnemingen uit heel verschillende maancycli gecombineerd.

Een normaal mens zou misschien niet zo maar een sinuscurve door de puntenwolk te trekken, maar dat is toch, zeggen deskundigen, wat je doet als je denkt dat er een cyclisch fenomeen schuilt in je observaties. Cajochen benadrukte deze week, desgevraagd, dat zowel de ‘periode’ als de ‘fase’ van de sinuscurve (t.o.v. de maanfase) door het gehanteerde computermodel werden berekend. De periode (het aantal dagen van dal tot dal) blijkt dan ook méér dan 29,5 dagen en de fase blijkt ook één of twee dagen bij de maancyclus achter te lopen, maar toch is er een mooie verwantschap met de maancyclus. Te mooi om waar te zijn, eigenlijk, maar het zou niet juist zijn om aan de woorden van Cajochen te twijfelen.

Andere onderzoekers bleken hun sinuscurve wel degelijk bij te regelen. In 2006 publiceerde een Zwitserse onderzoeksgroep uit Bern ook al over de relatie tussen maan en slaap (Journal of Sleep Research). Martin Röösli en collega’s wilden het effect van gsm-masten op de nachtrust bestuderen en op verzoek hadden 31 vrijwilligers hun slaapervaringen zes weken lang in dagboekjes bijgehouden. Ze sliepen thuis, konden de maan dus gewoon zien maar hebben er waarschijnlijk niet op gelet.

Zoals dat Cajochen overkwam kwam ook de groep van Röösli during a coffee break many months later op de gedachte eens naar een maansinvloed op de waarnemingen te kijken. De vrijwilligers hadden van dag tot dag bijgehouden hoeveel uur dat ze dachten dat ze hadden geslapen en daar viel natuurlijk ook een puntenwolk van te tekenen. En ook daar ging een sinuscurve doorheen en waarachtig: bij volle maan werd er maar weinig geslapen – of gedacht dat er maar weinig was geslapen. Maar Röösli heeft een sinuscurve gebruikt waarvan hij periode en fase volledig op de maan afstemde. Het geconstateerde verschil tussen volle maan en nieuwe maan zat dus praktisch ingebakken. Het kon hoogstens als ‘niet significant’ door het computermodel worden weggestemd.

Maar hoe overtuigend is het recente werk van Cajochen cum suis? Til niet te zwaar aan die sinus, zegt Cajochen met zoveel woorden. “Het is niet de sinus die het bewijs levert, die had ik kunnen weglaten, maar u zult het met me eens zijn dat de puntenwolk niet uniform over de maanfasen is verdeeld.” Het ‘bewijs’ is dus teruggebracht tot de constatering dat de sinus de wolk beter beschrijft dan de horizontale rechte lijn.

“Met zo weinig waarnemingen valt er ook niet meer te verwachten”, zegt, desgevraagd, de Leidse statisticus Richard Gill. Hij beaamt dat er aan de puntenwolken zonder ingetekende sinuscurven niet veel te zien valt en hij heeft zo zijn twijfels over het gebruik van de statistiek. En het besluit om de proefpersonen tweemaal in de puntenwolk op te nemen bevalt hem niet.

Die dubbeltelling is ook wat de Groningse chronobioloog Domien Beersma het meest hindert. Maar verder toont hij zich positief over het recente artikel. Het was, zegt hij, ook helemaal niet te vroeg om te publiceren. “Ik voel het als een nadrukkelijke uitnodiging om door onze databestanden te gaan en te verifiëren of eenzelfde verband in onze eigen gegevens te vinden is. Er zijn meer labs die zulke data hebben.”

Ook Derk-Jan Dijk van de universiteit van Surrey en bekend slaaponderzoeker is te spreken over de studie die hij ‘interesting’ noemt. Of de waarnemingen wel of niet de sinuscurve volgen laat hem koud: ze variëren tijdens de maancyclus, dat is het punt. Andere laboratoria moeten nu kijken of ze de bevindingen kunnen reproduceren. “This is how science works.”