Niemand kan weten of een proef het dierenleed waard is

Dierproeven

De mensen die dierproeven beoordelen, zijn vaak collega’s van de mensen die ze uitvoeren. En hun overwegingen blijven doorgaans binnenskamers. In de nieuwe Wet op de Dierproeven kan de beoordeling opener en onafhankelijker worden.

Diergeneeskunde Utrecht handvaardigheden met ratten en muizen. Foto t.dobber@umcutrecht.nl

Een onderzoeker wil weten hoe zangvogels zangpatronen herkennen. Hij wil daarvoor elektroden in de hersenen van zebravinken implanteren. De vogeltjes kunnen dan onder verdoving naar vogelzang luisteren, terwijl hun hersenactiviteit wordt gemeten. Mag dat?

Voor elk experiment op de 581.776 proefdieren die in 2011 in Nederland werden gebruikt, hebben mensen vooraf ‘ja’ gezegd – en eisen gesteld. ‘Geachte wetenschapper, u kunt bij deze ingreep best lokaal verdoven. Neem dertig ratten in plaats van veertig. Test dit medicijn niet alleen bij mannetjesmuizen, want er zijn ook vrouwelijke patiënten.’ Enzovoort.

De mensen die dat werk doen, zijn de leden van de circa twintig Nederlandse ‘dierexperimentencommissies’ (DECs). Ze nemen die taak serieus en hun oordeel over de proefopzet voorkomt veel dierenleed, maar uit gesprekken met een tiental mensen die de beoordelingen goed kennen, blijkt dat de toetsing toch beperkt is. Ten eerste: de DECs hebben te weinig kennis en overzicht om het wetenschappelijk belang van onderzoeksprojecten te overzien. Ten tweede: welke dierproeven in Nederland uitgevoerd worden en welke afwegingen de DECs maken, weet niemand. De beoordelaars zelf niet, de overheid niet en de burger niet. En ten derde: de beoordelaars werken meestal zelf bij de instellingen die zij toetsen.

Onder druk

Niet alleen dierenbeschermers vinden het belangrijk om de toetsing te verbeteren, een deel van de DEC-leden en dierproefwetenschappers vindt het ook. Zoals de Utrechtse dierethicus en DEC-lid Frans Stafleu: “Het is echt geen vriendjespolitiek, maar we zijn allemaal mensen. Als individuele DEC sta je onder druk om geen ‘nee’ te zeggen tegen onderzoek dat een vakgroep al jaren doet.”

Zij wensen meer openheid, grotere onafhankelijkheid, meer overzicht over dierexperimenten. Zodat vaker en helderder antwoord wordt gegeven op de moeilijke vragen: bijna alleen rokers krijgen deze ziekte, mag je daar wel dieren aan opofferen? Moeten we dit bestrijdingsmiddel alweer testen, alleen vanwege de regeltjes? Zou deze muizenstudie naar de hartspier ooit een medicijn opleveren?

De discussie is actueel. Want een nieuwe Europese Richtlijn vraagt juist dit: meer openheid, onafhankelijkheid en overzicht. Om aan die regels te voldoen, wordt de Wet op de Dierproeven gewijzigd. Net voor het zomerreces is het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd.

De nieuwe regels kunnen de toetsing sterk verbeteren – maar er klinkt ook kritiek. Voorzitter Martje Fentener van Vlissingen van de Nederlandse Vereniging voor Proefdierkunde (NVP) ziet ‘veel kansen voor verbetering’. “Maar het kabinet maakt de wet nodeloos ingewikkeld. Ze hebben er tweeënhalf jaar over gedaan om deze rommel af te leveren.” Ze vindt het wetsvoorstel slordig en vreest bureaucratische rompslomp.

Eerst de huidige praktijk. DECs zijn sterk verbonden met de mensen die dierproeven doen. Dat is historisch gegroeid: gedurende de jaren tachtig stelden proefdierlabs hun eigen toetsingscommissies in. In 1996 werden die adviezen wettelijk verplicht. Nog steeds zijn bijna alle DEC’s gevestigd bij een universiteit, academisch ziekenhuis, onderzoeksinstituut of groot bedrijf. Omwille van de onpartijdigheid mogen drie van de minimaal zeven DEC-leden daar niet in dienst zijn, en mogen wetenschappers niet hun eigen experimenten toetsen.

De beoordelaars zeggen zelden keihard ‘nee’ tegen een dierexperiment. In 2011 deden ze dat drie keer, terwijl ze aan 4.160 plannen voor onderzoeken met dieren een positief advies gaven. Dat betekent niet dat de toetsing onkritisch is, vinden de DEC-leden. Voorzitter Fred Tilders van vakvereniging NVDEC zegt: “Internationaal gezien staat de toetsing op hoog niveau.”

De commissies stellen bij één op de drie onderzoeksplannen schriftelijke voorwaarden, staat in het overheidsrapport over proefdiergebruik Zo Doende 2011. Bijvoorbeeld dat bij een pijnlijke proef de proefdierdeskundige van het dierenlab moet meekijken. Nog veel vaker eisen DECs aanpassingen. De Utrechtse hoogleraar ‘alternatieven voor dierproeven’ Coenraad Hendriksen, oudlid van een DEC: “De DECs sturen onderzoeksprotocollen vaak terug. Of ze sneuvelen al voordat ze bij de commissie worden ingediend. Daar zijn geen cijfers van.”

Europa eist nu dat de toetsing onpartijdig moet zijn. Waarom worden de DECs dan niet onafhankelijker? Dat zou veel nadelen hebben, zeggen meerdere geïnterviewden. De commissies hebben nu intensief contact met het proefdierlab en de onderzoekers, zodat DECs gemakkelijk verbeteringen kunnen voorstellen.

Maar voorzitter Mechtild de Jong van de Stichting DEC Consult (de enige ‘vrijstaande’ DEC in Nederland) zegt dat onafhankelijkheid juist voordelen heeft. Haar DEC beoordeelt vooral proefdieronderzoek van het Erasmus MC, maar is niet bij dat Rotterdamse academisch ziekenhuis gevestigd. “Ik heb liever geen directe contacten met de werkvloer. Je raakt toch bevooroordeeld.”

Het kabinet loste het zo op: de DECs blijven op hun plek, maar er komt een zelfstandige Centrale Commissie Dierproeven (CCD) tussen de DECs en de onderzoekers. Voortaan adviseren de DECs, maar geeft de CCD de vergunningen af.

Hoe onpartijdig en open dat uitpakt, hangt af van hoe die nieuwe CCD zijn taak gaat opvatten. Dat is in het wetsvoorstel niet geregeld – en daar ligt bureaucratie op de loer. Dierethicus Frans Stafleu: “De CCD moet geen lijstjes gaan afvinken. Ze moeten steekproeven doen en beoordelingen vergelijken. Dat ze zien: hé, die doet het zus en die zo!” Nu kan buiten de eigen DEC niemand de overwegingen van de commissie nagaan – ook collega’s van elders niet.

De Nijmeegse hoogleraar proefdierkunde Merel Ritskes: “Nu loop je het risico dat DECs verschillende conclusies trekken.” Ze benadrukte nog vorige week in PLOS Medicine dat kennis over goede proefdierkunde beter verspreid moet worden. Ritskes: “Straks kan een centrale commissie de oordelen in perspectief plaatsen.”

Openheid is een gevoelig punt voor iedereen die met dierproeven te maken heeft. Dat komt vooral door het dieractivisme. “Straks komen ze je schoonmoeder opgraven”, fluisteren enkele geïnterviewden – dat overkwam een Britse caviafokker in 2004. De laatste paar jaar beperkt het activisme zich in Nederland tot geweldloze protesten en inbraken, maar een enkeling herinnert zich nog hoe zij alleen onder politiebegeleiding naar DEC-vergaderingen kon. En dan zijn er nog ‘beroeps-WOBbers’. Listige burgers vragen in het wilde weg documenten op van DECs via de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), om honderden euro’s uitgekeerd te krijgen als hun verzoek te laat behandeld wordt.

Het gevolg is dat proefdiermensen zich stil houden. Wie bestuurlijke functies vervullen of in DECs werken, staat niet op internet. Er is geen openbare lijst van DECs, ze hoeven geen jaarverslag openbaar te maken, en zelfs is onduidelijk hoeveel van die commissies actief zijn. Achttien. Misschien twintig.

Samenvatting openbaar

Dat elk proefdierproject bij de centrale commissie komt te liggen, zal de openheid en het overzicht vergroten – in ieder geval voor vakgenoten. Ook gaat de CCD van elk goedgekeurd onderzoeksplan een samenvatting openbaar maken. Beleidsmedewerker Marianne Kuil van de Dierenbescherming vindt het een grote stap vooruit: “Wij hadden tot nu toe weinig of geen zicht op de toetsing. Vergelijk het eens met de Commissie Biotechnologie bij Dieren, die hetzelfde type werk doet. Daar komt de ethisch-maatschappelijke toets wel uit de verf.”

Fentener van Vlissingen van de NVP twijfelt over openbaarheid: “Het intellectuele eigendom van de onderzoekers komt wel in gevaar.” Dat laatste bestrijdt Sietske Oosterhoff van de DEC-Utrecht. Haar commissie zet al sinds vijf jaar alle samenvattingen van goedgekeurde dierproeven in het jaarverslag – dat daardoor tien keer zo dik is als dat van andere DECs – en publiceert dat op internet. “We hebben niet meer last van WOBbers, we krijgen geen klachten van onderzoekers. Iedereen is heel positief.”

Wetenschappelijk nut

Meer openheid, meer centraal toezicht, toetsing deels weg van de werkvloer: het kan dus positief uitpakken. Een aantal geïnterviewden hoopt ook op een fundamentelere verandering door de nieuwe wet. Eindelijk meer aandacht voor de cruciale vraag: weegt het nut van deze wetenschappelijk studie op tegen het ‘ongerief’?

Het antwoord op die vraag is nu al wettelijk verplicht. Een duidelijk antwoord vermindert niet alleen dierenleed, maar vergroot ook de wetenschappelijke waarde van dierproeven. Maar de antwoorden waren vaak niet zo duidelijk. NVDEC-voorzitter Tilders: “Heel veel aandacht van de DECs ging naar verfijning en vermindering. Als je dit stukje van de ingreep nu een klein beetje anders doet... Maar een DEC moet ook nut en noodzaak van een proef afwegen tegen de belasting voor de dieren.”

Dat is tegelijkertijd de moeilijkste vraag. Hoogleraar Hendriksen: “Het welzijn van dieren versus het nut van een experiment? Het is appels met peren vergelijken. Dat is geen mathematisch proces.” En dus schrijven DECs zelden of nooit op hoe ze tot die afweging komen – het verwijt dat ze haar helemaal achterwege laten, ligt op de loer.

Misschien wordt die weging inzichtelijker in de nieuwe wetgeving. Want de DECs en de CCD zullen geen losse dierproeven meer beoordelen, maar alleen meerjarenprojecten – zoals een heel promotieonderzoek. De technische finesses van een dierproef worden dan overgelaten aan een nieuwe ‘instantie voor dierenwelzijn’ in het instituut of bedrijf.

En, stelt de Europese Richtlijn, de beoordelaars van projectaanvragen moeten zelf een oordeel geven over de wetenschappelijke merites van een dierexperiment – iets waar het Nederlandse wetsvoorstel overigens niet zo helder over is. Het gewenste gevolg: minder schaven aan anesthesie en subcutane injecties, meer discussie over de wetenschap.

Tilders van de NVDEC: “Als het experiment al helemaal is uitgewerkt en er al instrumentarium is gehuurd of gereserveerd, is er weinig speelruimte meer. Ethische kwesties breng je veel gemakkelijker aan de orde aan het begin van een project.”

Anderen spreken dat tegen. De Groningse DEC toetst al enkele jaren meerjarenprojecten, vertelt secretaris Jochum Prop. “Het werd overzichtelijker.” Maar verder beaamt Prop wat Hendriksen ook aansneed: “We kunnen die wetenschappelijke waarde helemaal niet toetsen. Als NWO een subsidieaanvraag beoordeelt op wetenschappelijke waarde, wordt die aan internationale reviewers voorgelegd. Als wij dat voor elke dierproef moeten gaan doen, is dat heel omslachtig. Wij gaan af op de informatie die we van de wetenschapper aangeleverd krijgen. Het kan best dat we eens iets goedkeuren dat achteraf gezien toch niet zulk nuttig onderzoek was.”

Maar dierethicus Frans Stafleu, die zichzelf ‘een optimist’ noemt, ziet hoop. “Als we als DECs meerjarenprojecten beoordelen, hoeven we ook minder protocollen te toetsen en hebben we dus meer tijd. Laten we dan in ieder geval gaan vastleggen hóe we over kosten en baten discussiëren. Dan kan de centrale commissie onze oordelen vergelijken. Ik denk dat dát echt beter wordt.”