Lang lijden, vroeger en nu

Een jaar of tien geleden schreef ik op de website van de krant een stuk over een dramatische partij die Constant Orbaan in 1966 in Eersel speelde tegen de Israëlische meester Moshe Czerniak.

Kort samengevat: die partij begon ’s middags om kwart over een en om ongeveer half vier in de nacht maakte Orbaan een fout die de winst weggaf. De partij van 114 zetten duurde twaalfeneenhalf uur, alleen kort onderbroken voor een snel avondmaal.

Zulke krachtsinspanningen worden niet meer gevraagd, want een partij kan tegenwoordig niet veel langer dan zes uur duren. Het nadeel dat bij dit voordeel hoort, is dat in een extreem lange partij de spelers uren in constante tijdnood zijn.

Een droevig geval deed zich in juni voor in het kampioenschap van Oekraïne. In de partij Valeri Neverov – Stanislav Bogdanovich was na 42 zetten een stelling bereikt met aan beide kanten nog toren en paard en verder drie pionnen voor zwart tegen twee pionnen voor wit. Duidelijk remise, maar zwart ging door.

De torens werden geruild, op zet 167 offerde wit zijn paard voor twee pionnen en nog een tijdje later ontstond een eindspel van toren en paard tegen toren. In normale omstandigheden gemakkelijk remise te houden voor de verdediger, maar niet als die al ongeveer honderd zetten lang met een rantsoen van dertig seconden per zet in de verdediging is geweest. De uitgeputte Neverov maakte op zet 206 een ernstige fout en moest vier zetten later opgeven.

Iets dergelijks gebeurde vorige week in het toernooi dat in goed Nederlands het 7th Leiden Chess Tournament heet. Erik van den Doel kreeg tegen de Hongaarse grootmeester Peter Prohaszka een eindspel waarin hij een toren had tegen toren en loper. Volgens de eindspeltheorie is dat remise en vroeger, toen schakers nog mochten nadenken, werd het dan ook meestal remise. Tegenwoordig niet meer. Het eindspel wordt meestal gewonnen door de sterkste partij, die eindeloos kan blijven doormelken tegen een verdediger die met 30 seconden bedenktijd per zet het hoofd boven water moet houden.

Tegen één uur ’s nachts – ze begonnen laat in Leiden – maakte Van den Doel op de 129ste zet een fout en twee zetten later moest hij opgeven. Ik vind het een aanfluiting van ons nobele spel, maar zo wordt het tegenwoordig gespeeld.

Het toernooi in Leiden werd gewonnen door de Indiërs S. P. Sethuraman en Deep Sengupta. Wie denkt dat Sengupta naar een schaakcomputer is genoemd – we kennen Deep Thought en Deep Blue – heeft het mis. Deep is een gewone Indiase naam die licht of lamp betekent.

De Indiase dubbeloverwinning deed me denken aan het Brits kampioenschap in de tijd dat schakers uit alle landen van het Gemenebest daar mee mochten doen. De inwoners van de vroegere koloniën waren welkom, ook toen de Indiër Sultan Khan omstreeks 1930 drie keer Brits kampioen werd. Maar hij was een eenling, een uniek genie. Toen in 2012 en 2013 een Indiër Brits kampioen werd en andere Indiërs het grootste deel van het prijzengeld mee naar huis namen, kwamen Engelse grootmeesters in verzet. Ze hadden het over de ‘Indian Take-away’, de afhaalindiër. Sindsdien mogen alleen nog Britten en Ieren meedoen.

S. P. Sethuraman – Tjomme Klop, Leiden Chess Tournament 2013.

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lb5 a6 4. La4 Pf6 5. 0-0 Le7 6. d3 b5 7. Lb3 d6 8. a4 b4 9. Pbd2 0-0 10. a5 Lg4 De loper heeft hier weinig te zoeken. Een van de betere zetten was 10…Le6. 11. h3 Lh5 12. c3 Tb8 13. Lc4 Dc8 Zwart speelt de opening passief. Hier en misschien ook op de vorige zet viel d6-d5 te overwegen. 14. Te1 bxc3 15. bxc3 Pa7 16. Pf1 Pb5 17. Ld2 c6 18. Pg3 Lxf3 19. Dxf3 Wit heeft duidelijk voordeel. 19…Pe8 20. Pf5 Lf6 21. g4 Dd8 22. Le3 Lg5 23. Lb6 Df6 24. Kg2 g6 25. h4 Lxh4 Nu krijgt wit een sterke aanval over de h-lijn. Met 25…gxf5 26. hxg5 Dxg5 27. Dxf5 Dxf5 kon zwart vluchten naar een eindspel dat ook precair voor hem zou zijn. 26. Pxh4 Dxh4 27. Th1 Dg5 Zwart wil 28. Dh3 met 28…h5 beantwoorden. 27…Df6 28. Dh3 Dh8 zou niemand graag spelen.

28. Txh7 Maar wit doet het krachtiger dan zwart voorzien had. Als zwart het torenoffer aanneemt met 28…Kxh7 moet hij na 29. Th1+ met 29…Dh6 zijn dame geven, omdat 29…Kg7 30. Le3 gevolgd door 31. Dh3 nog erger voor hem zou zijn. Maar ook na 29…Dh6 zou wit met 30. Txh6+ Kxh6 31. Dh3+ Kg7 34. g5 – dreigt binnen te vallen op h6 of d7 – snel winnen. 28…Pf6 29. Tah1 Wit kan zijn toren op h7 nog even laten staan. 29…Dxg4+ Dit verliest snel. Na 29…Pxh7 wint wit met 30. Dh3 Kg7 31. Le3, maar de beste verdediging was 29…c5, om wits Lb6 van de aanval af te sluiten. Ook dan zou wit overigens goed staan. 30. Dxg4 Pxg4 31. Lxf7+ Met dit schijnoffertje wint wit een kwaliteit. 31…Txf7 32. Th8+ Kg7 33. T1h7+ Zwart gaf op.