De bij mag er zijn

Zet een insectenhotel in de tuin en geniet van bijen en andere geleedpotige logés. De meeste prikken niet.

Bijenhuis van Esschert Design, 6,98 euro

Menig insect kiest bij het horen van de woorden ‘detailhandel’ en ‘zomercollectie’ het zespotige hazenpad. En geef ze eens ongelijk. Mierenlokdozen, wespenflessen, vliegenstrips, muggenlampen: heel het assortiment is gericht op de oplossing van het insectenvraagstuk. Maar die verdelgende stemming jegens kruipende, zoemende geleedpotigen lijkt om te slaan. Goed, bijenkasten waren er allang, maar werkelijk overal, in plantsoenen, in achtertuinen en op stadsbalkons tref je tegenwoordig bijenhotels, hommelherbergen en andere insectenpensions. Je hoeft maar Wehkamp.nl, Praxis.nl of Homeland.nl aan te klikken om de jongste trends in insectenlogementen thuis te ontvangen.

Is de insectengekte een eendagsvlieg? Of is het een beklijvende beweging die het nuttige met het verstrooiende combineert, zoals vogelhuisjes of vleermuiskasten?

Een beetje hype zal het best zijn, zegt Tjeerd Blacquiere, bijenonderzoeker aan de universiteit van Wageningen. „Maar dat betekent niet dat al die insectenhotels niet functioneel zijn. Bovendien zijn ze gewoon leuk.” Steeds meer mensen, ook stedelingen, dragen bijen een warm hart toe, aldus Blacquiere, die zelf een bijenhotel heeft. Van het platteland verdreven door de agrarische monocultuur, overleven ze in de stedelijke omgeving dankzij de diversiteit van de tuinen en parken. „Iedereen wil iets voor ze doen. Die bijenhotels zijn daar waarschijnlijk een gevolg van.”

Het gaat hier niet om sociale honingbijen. Die hebben nog altijd echte kasten nodig. Het zijn andere, meest solitair levende bijensoorten die gebruikmaken van de aangeboden nestelmogelijkheden. Die bijen zijn minder bekend, maar ze dragen hun steentje bij aan de bestuiving van bloemen en planten.

En aan die nestelmogelijkheden is in ‘het wild’ inderdaad een tekort, althans in de stad, zegt Blacquiere. „Wanneer bijvoorbeeld takken van braamstruiken afsterven, vallen ze op de grond, vergaan, en worden van binnen hol: de ideale nestelplek.” Maar het stedelijke groenbeheer wil geen slordige braambossen: die worden dus geruimd.

De vergelijking met het reguliere bosbeheer dringt zich op. Toen de dode bomen niet meer werden verwijderd, nam het aantal insecten die van houtmolm houden exponentieel toe, evenals het aantal spechten, die deze beestjes op het menu hebben staan – spechten zie je tegenwoordig midden in de bebouwde kom.

Tuinbladsnijder

Hoeveel verschillende wilde bijen en ander vliegend spul gebruikmaken van een insectenhotel is te zien in het Amsterdamse Sarphatipark achter het Groen Gemaal, een wijkcentrum voor milieueducatie. Zwarte wespjes, roerloos hangende zweefvliegen, brommende hommels, het lijkt wel een miniatuur van Schiphol. Wat zijn dat allemaal? Het antwoord van Oscar Vrij van de Bijenwerkgroep De Pijp opent een exotische geleedpotige wereld. Roze metselbijen zitten er bij, zegt hij, evenals de resedamaskerbij, de tuinbladsnijder en de lathyrusbij. „Bedenk dat er in Nederland veel soorten wilde bijen zijn. Er komen er zelfs bij. Vorig jaar stond de teller op iets meer dan 350, nu zijn we de 360 gepasseerd.”

Blacquiere slaat het Groot Insectenboek nog verder open. Er kunnen metselbijen bij zijn die de nestopening dichtkitten met modder, of spinnendoders die een spin gebruiken als voedsel voor hun larve, of bladsnijders die, het woord zegt het al, bladeren snijden om daarmee hun nest te bekleden.

Je kunt eindeloos blijven kijken naar de activiteiten van de beestjes. En nee, zegt Blacquiere, steken doen ze niet. „Je kunt er veilig naar kijken. Sommige van de dieren hebben niet eens een angel en als ze die al hebben dan zijn ze te klein om door de huid heen te dringen.”

Of de biodiversiteit nu profiteert van de recente spectaculaire aanwas van al die nestelgelegenheid is volgens de deskundigen overigens maar de vraag. Oscar Vrij: „Negentig procent van de wilde bijen maakt geen gebruik van ‘hotels’. Die graven holen in de grond of stellen zeer strenge eisen aan de vegetatie.

Het grootste nut van de hotels, vinden beide experts, schuilt in iets anders. „De natuureducatie is belangrijk. Je maakt iets moois zichtbaar voor stadsmensen.” Wie een insectenhotel aanschaft, zegt Vrij, krijgt oog voor de hele natuur. „Als je toch geld aan je tuin wilt besteden, kun je beter een insectenhotel kopen dan een tuinkabouter.”