Dat gejaagde gedoe met die smartphone gaat vanzelf over

Psychische last, verslaving, leegte: vroegere internetpropagandisten bestrijden nu de uitwassen van sociale media. Maar een nieuw evenwicht van selectiever gebruik komt altijd vanzelf, schrijft Herman Vuijsje.

Illustratie Roland Blokhuizen

Een oude man spreekt over zijn jonge jaren: ‘Wij waren er vóór de tv, cd, fm en CNN. Geen videogames, geen 64 tv-zenders, geen eigen tv op je kamer. Geen gsm, sms en internet chatrooms. Wat wij hadden waren Vrienden. We gingen gewoon naar buiten en daar kwamen we elkaar tegen. We gingen naar hun huis en belden aan. Of we gingen gewoon binnen ‘zonder kloppen’. Daar hadden we geen afspraak voor nodig. Het waren ontmoetingen van topkwaliteit: sommige zijn veertig jaar later nog goed.

Ik was het niet, deze oude man, het was de schrijver van een verjaardagssketch voor een gemeenschappelijke kennis. Wel ben ik oud genoeg om me het moment te herinneren waarop voor mij aan deze paradijselijke wereld een einde kwam. Ik stond onder aan de trap van een vriendin bij wie ik ‘zomaar’ had aangebeld. En nog eens hard en dringend gebeld. Toen er eindelijk werd opengedaan, stond zij daar op de overloop en bitste uit de hoogte: „Hadden wij een afspraak? Staat niet in mijn agenda.”

Midden jaren zestig was dat. Ik vermoed dat ik haar later heb opgebeld om het gebeuren in een gesprek van man tot vrouw in het reine te brengen. Want dat kon toen nog wél: iemand zomaar opbellen. Aanbellen was real life en real time – dat was voortaan te opdringerig. Opbellen is alleen nog real time.

Maar het duurde niet lang of ook real time raakte in diskrediet. Iemand opbellen betekent dat je de ander dwingt onmiddellijk te reageren, iets dat steeds meer als een ongevraagde intimiteit wordt ervaren. Voicemail en e-mail brachten de vrijheid om zelf het tijdstip van reageren te kiezen, een volgende stap in afstandelijkheid.

Die intussen ook alweer is achterhaald door de opkomst van de sociale media. Bij e-mail verwacht de afzender nog altijd een antwoord - bij Facebook, Twitter en consorten is dat veel minder het geval. De daarop verzonden boodschappen zijn als een schot hagel: reageren is facultatief.

Bij elk van deze stappen nam het aantal contacten toe, maar werden die steeds vrijblijvender. Deze voortschrijdende uitfiltering van intimiteit in communicatie roept ook steeds meer tegengeluiden op. In haar boek Alone Together (2010) klaagt sociaal psycholoog Sherry Turkle dat we door al dat ge-mobiele-internet alleen maar eenzamer worden. Een onverzadigbare behoefte aan zelfbevestiging resulteert volgens haar in een treurig ‘ik deel, dus ik besta’ zonder enige diepgang. Soms belt zij haar dochter, heel kort, bekende ze in deze krant. Met de telefoon! Om te horen hoe het écht met haar gaat.

Een paar jaar geleden dacht Turkle er nog heel anders over. In eerdere boeken zong zij juist de lof van het internet als rijk van de nieuwe vrijheid. Ook andere voormalige internetpropagandisten behoren nu tot de felste bestrijders van de uitwassen ervan en schoppen om ‘t hardst tegen het voorwerp van hun vroegere passie.

Internet-grootondernemer Joe Kraus fulmineert nu tegen de smartphone. Zijn collega Andrew Keen noemt zich een ‘afvallige’ en schreef vorig jaar in zijn boek De digitale afgrond dat Facebook een bedreiging voor onze vrijheid vormt die we alleen met de grootste zelfbeheersing kunnen afwenden.

‘Renegaten’ als Turkle, Keen en Kraus verwoorden een breed levend sentiment: laten we ophouden met die amechtige digitale uitwisseling van trivialiteiten en laten we ons weer gaan richten op ‘echte’ dingen en contacten. Trendwatcher Lidewij Edelkoort bepleitte vorig jaar hetzelfde toen zij bij de VPRO als Zomergast optrad. Net als cineast Henry Alex Rubin in zijn dit jaar uitgekomen film Disconnect. Het wordt al haast een voorspelbare verzuchting: we moeten terug! Alleen... hoe doen we dat?

Weinig diagnoses van de sociale mediahype zijn zo alarmerend als die van de Belgische psychiater Dirk de Wachter. De druk om continu te genieten, te ervaren en te communiceren, om toch maar niets te missen in een uitdijend universum van potentiële belevenissen, neemt steeds verder toe. Daardoor komen steeds meer mensen in psychische problemen, is de boodschap van zijn vorig jaar verschenen bestseller Borderline Times. We leven in een ‘borderlinemaatschappij’ en de sociale media zijn de grootste boosdoeners.

Vorig jaar beaamde de ‘Slow Tech’-beweging het in het rapport De zwarte kant van sociale media: we worden oppervlakkig, dom en aso door onze mediaverslaving. Gelukkig is er zelfhulpmedicatie in de handel, zoals de freedom-app, waarmee je voor een zelfgekozen aantal minuten je eigen internettoegang kan blokkeren. Ook van buiten af opgelegde ontwenningsmaatregelen kunnen helpen, bijvoorbeeld het invoeren van een mediavrije dag per week – een voorstel van Joe Kraus.

Deze diagnoses en therapieën hebben twee onuitgesproken aannames gemeen: dat het uit de pan rijzende sociale mediagebruik een vorm van verslaving is, en dat die verslaving steeds verder om zich heen zal grijpen als er niet tegen wordt opgetreden.

Maar hoe nieuw is het gejaagde gedoe met de smartphone eigenlijk? Mensen, zeker jongeren, zijn altijd op zoek naar aandacht en belevenissen. Als er wat gebeurt, wil niemand dat missen. Alleen viel er vroeger minder te missen dan nu. „Je had één stripheld, Ketelbinkie, en één voetbalalbum, Goal”, zo vatte Kees van Kooten het onlangs samen in de Volkskrant. Daar moest je ‘t mee doen.

Vroeger wist je niet wat je miste – letterlijk. Nu weet je álles wat je mist, dankzij die sociale media. Dat leidt tot een opflakkering van mediagejakker en exhibitionistisch zelfvertoon – maar staat daarmee inderdaad onze vrijheid op het spel? Laten we die op ons af stormende virtuele wereld even vergeten en de lotgevallen bekijken van de vertrouwde papieren krant.

In het beeldschermloze tijdperk had je dunne kranten en die werden van a tot z gelezen. Daarna werden de kranten steeds dikker en pakten ze uit met bijlagen en supplementen. Ik zal niet de enige zijn voor wie de weekendkrant een beproeving is geworden. Ik heb ervoor betaald, vind dus eigenlijk dat ik dat hele pak tot me moet nemen en voel me schuldig als de bijlages me aan het eind van de week nog ongelezen aanstaren.

Maar ga nu eens in Amerika of Brazilië kijken. Daar krijg je als krantenabonnee elke dag een compleet telefoonboek in de bus gedouwd. Toch worden de mensen daar niet gek van. Ze hebben zich ingesteld op een situatie van overvloed. Ze benaderen het van de andere kant en lezen alleen wat hen interesseert.

Of denk aan de eerste keer dat je mag toetasten aan een zelfbedieningsbuffet. Je blijft achter met een gevoel van oververzadiging én van een knagend tekort: heb je alles wel geproefd, is er niks aan je voorbij gegaan? Maar afkickmaatregelen zijn hier niet nodig: na een paar dagen kies je van het buffet alleen wat je het lekkerst vindt.

De communicatiemogelijkheden die ons worden voorgeschoteld, zijn oneindig veel uitgebreider dan zo'n hotelbuffet. Het duurt niet lang meer of alle denkbare informatie en alle mogelijke contacten ter wereld liggen altijd en overal met een paar klikken binnen ons bereik. Meer selectiviteit is dan de enige optie. Verdere groei van het aanbod leidt op een gegeven moment dus niet tot een nog gejaagder mediagebruik, maar tot een meer ontspannen aanpak.

De ontwikkeling komt nodeloos alarmerend over als ze in verband wordt gebracht met psychologische noties als verslaving en borderline. Meer inzicht biedt een sociologisch begrip als cultural lag: het ‘naijlen’ van denk- en gedragspatronen bij snelle technologische vernieuwing. Na een tijdje wordt de achterstand ingelopen en passen mensen zich bij de nieuwe situatie aan. De Amerikaanse socioloog W.F. Ogburn bedacht dit begrip begin vorige eeuw toen er ingrijpende innovaties plaatsvonden op materieel gebied: nieuwe machines en apparaten.

Het tempo van de industrialisering uit die periode valt in het niet bij de huidige voortgang van de mediatechnologie. Dat onze omgang met die technologische uitschieters en onevenwichtigheden met zich meebrengt, hoeft dus niet te verbazen of te verontrusten, maar is een normaal frictieverschijnsel.

Het zijn niet alleen twitterende pubers die zich verliezen in overgebruik van de sociale media. Ook politici, personeelschefs, sollicitanten – iedereen die een beetje wil meetellen in de wereld doet eraan mee. Niet om een eindeloze behoefte aan aandacht te delgen, maar omdat het moet! Hier blijkt in alle duidelijkheid dat het niet om een psychologisch maar om een sociaal verschijnsel gaat: er is sprake van een wederzijds opgelegde verplichting. Onttrek je je daaraan, dan word je al gauw ingedeeld bij de oude mensen die voorbijgaan aan de nieuwe dingen.

Intussen zijn we wel bezig met vereende krachten een fictie op te roepen – een fictief beeld van totale openheid en bereikbaarheid, en dan ook nog op een directe en persoonlijke manier. ‘Chatten met de president.’ ‘De CEO feliciteert.’

Een beetje CEO ‘moet aan sociale media doen’, maar heeft daar geen tijd voor. Dus huurt hij mensen in die de honneurs waarnemen. En als het even kan, zet hij slimme computerprogramma’s en robots aan het werk. Zo ontstaat een heel circuit van computers en virtuele personen, een soort avatars die met elkaar converseren, die elkaar volautomatisch op voorgeprogrammeerde tijdstippen feliciteren, kerstkaarten sturen, troosten en deelneming betuigen bij een verlies.

De opbouw van zo’n virtuele parallelwereld is al een eind op streek, ook doordat creatieve ondernemers en gros ‘vrienden’, ‘volgers’ en ‘likers’ kunnen leveren die je account extra standing geven. En die zich dan weer kunnen onderhouden met andere fictieve bewonderaars.

Hier wordt het andere uiterste bereikt van zomaar bij iemand aanbellen. Er is geen sprake meer van delen of communiceren, zelfs niet op de meest indirecte, uitgestelde of oppervlakkige manier. In toneeltermen: na de eenheid van tijd en plaats sneuvelt hiermee ook de eenheid van handeling, om de simpele reden dat er geen handeling meer ís.

Ook deze fictie is een vorm van frictie - gevolg van een overmaat aan fascinatie voor de wonderbaarlijke nieuwe spulletjes. Op een gegeven moment keert ook hier de wal het schip en ontstaat een meer selectief en ontspannen gebruik.

Fricties bij de snelle opkomst van sociale media kunnen zich dus voordoen in uiteenlopende gedaanten. Bij ouderen uiten ze zich in ondergebruik, onder het motto ‘laat die hele sociale mediapoespas maar aan me voorbijgaan’. Bij jongeren en volwassenen juist in overgebruik. Maar geen van deze reacties hoeft te leiden tot ongerustheid over de toekomst. Ze komen allebei voort uit een mindset die nog is afgestemd op het communicatieaanbod van gisteren.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.