Zie hem ‘die dor kneukelland’ doorkruisen

Elisabeth Eybers: My radarhart laat niks ontglip. Van Oorschot, 88 blz. € 12,50

De tachtigjarige Zuid-Afrikaanse dichteres zit aan tafel en krijgt onverwacht bezoek. Het is ‘besoek uit die eter’, van een lieveheersbeestje dat haar op zijn rondvlucht komt vereren met een verkenning van haar hand. Ach. Aandoenlijk gegeven. De dichteres is aangenaam verrast en kijkt aandachtig naar wat het beestje, met ‘vyf gitswart stippels op sy rug’, daar pal voor haar ogen komt doen. Ze ziet hoe hij ‘die dor kneukelland’ doorkruist, kennelijk op zoek naar iets.

Maar in dat dorre landschap van haar kneukels (knokkels) valt verder niet veel te vinden en dus schuift het beestje zijn rode gladgelakte pantserdakje maar weer open, slaat zijn vleugeltjes uit (‘steek sy gaasdun vlerkies op’) en vliegt weer verder. ‘Ek kan nie sy oorwegings lees / en hoop hy weet waar hy moet wees’, dat zijn de slotwoorden van Elisabeth Eybers.

Zoals zo vaak bij haar is een kleine alledaagse gebeurtenis de aanleiding voor een gedicht. En zoals zo vaak bij haar wordt die kleine alledaagse aanleiding dan net even boven zichzelf uitgetild. In zekere zin zijn al haar gedichten onverwachte bezoekers van elders die zich even met gaasdunne vleugeltjes door onze wereld begeven.

Hoe simpel het gegeven verder ook is, hier wordt toch even met de gedachte gespeeld dat er verschillende werelden naast elkaar bestaan, met verschillende perspectieven en dimensies, die elkaar niet kunnen leren kennen. Er zit vertedering in (de grote reus die zich buigt over het kleine schepsel), maar ook afgunst (op de vrijheid van het diertje), en een gevoel van vergeefsheid. En dan klinkt er, onbedoeld, ook nog iets van gezelligheid in mee, door het lekker Amsterdams klinkende slot: ‘ek hoop hy weet waar hy moet wees.’

Dit is een van de zestig gedichten die Alfred Schaffer koos uit de ruim negenhonderd gedichten die Elisabeth Eybers (1915-2007) schreef. Ik dacht dat ik haar poëzie wel zo'n beetje kende, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Deze bloemlezing vol verrassingen leerde mij vooral dat het moeilijk is de poëzie van Eybers samen te vatten, of er greep op te krijgen. Daarvoor is Eybers te precies en te wantrouwend en te kritisch, ook op zichzelf. Je kunt haar alleen maar van woord tot woord lezen. Dan zie je goed hoe origineel zij is, en hoe ironisch, hoe stellig soms. Dat Eybers-effect komt natuurlijk ook door haar taal, het Afrikaans. Die dwingt de gemiddelde Nederlandse lezer tot heel aandachtig lezen. Dan zie je bijzondere woorden en beelden. ‘Alle strate is met ys bestreel’, alle straten zijn met ijs bestreeld – zo mooi zeggen wij het zelf niet als het geijzeld heeft. De zes grauwe grijze wintermaanden zijn ‘hierdie ses stopverfmaande’. In een nachtelijke sterrenhemel ziet zij ‘de donsligte sterredistels’. Als zij afscheid moet nemen van haar geliefde en opstijgt met het vliegtuig, maakt haar hart overuren. Het gaat als een razende tekeer, als een voortdurend zoekende radar, omdat ze hem niet uit beeld wil verliezen. ‘My radarhart laat niks ontglip.’ Mooi beeld, mooie titel, mooie karakteristiek voor de scherpe, borende, dwars door alles heen gaande blik van Elisabeth Eybers.